Carl Orff als zeventiger

Carl Orff (1895-1982)

De Duitse componist Carl Orff werd op 10 juli 1895 geboren in het Beierse München, als zoon van Heinrich Orff en Paula Köstler. Zijn vader was een officier in het Duitse leger en had een sterke interesse in de muziek, die mee aan de basis lag van Carl’s muzikale ontwikkeling. 

Al rond zijn vijfde was de jonge Orff actief met muziek  bezig en begon hij piano, orgel en cello te spelen. Hij schreef ook reeds zijn eerste eigen werk, enkele liederen en muziek voor een poppenspel.

Op zijn zestiende werden Orff’s eerste composities, muzikale bewerkingen van Duitse gedichten, gepubliceerd. Het volgende jaar startte hij aan een groots opgezette maar onafgewerkte compositie, Zarathustra, gebaseerd op een passage uit Nietzsche’s Also Sprach Zarathustra, waar ook Richard Strauss eerder inspiratie uit putte. 

Hoewel zijn eerste werken nog sterk aanleunen bij de stijl van andere Duitse componisten uit die tijd, experimenteerde hij, in navolging van modernist Claude Debussy, met ongebruikelijke orkestrale bezettingen en ontwikkelde hij gaandeweg zijn eigen onmiskenbare stijl.

Tussen twee wereldoorlogen

Orff’s studies aan de Muziekacademie van München werden onderbroken door de Eerste Wereldoorlog. Tijdens deze oorlog werd hij levensbedreigend gewond, maar hij overleefde en hij kon aan de slag in de operahuizen van Darmstadt en Mannheim, waarna hij zijn studies in München kon hervatten. 

Geïnspireerd door het oude Griekse concept van de muses ontwikkelde Orf in de loop van de jaren ’20 van de 20ste eeuw de theorie van de “elementaire muziek”, waarbij muziek, samen met andere kunstvormen vertegenwoordigd door de Griekse muses een eenheid moest vormen. Tegelijkertijd richtte hij zich op het herwerken van oudere muziekstukken voor een moderne theatrale setting. Zijn bewerking Monteverdi‘s ooit gelauwerde maar in het begin van de 20ste eeuw zo goed als vergeten Orpheus, stuitte op onbegrip en zelfs hoongelach bij het toenmalige publiek, dat weinig voeling had met de oude meester en even weinig met de jonge componist die zich door hem liet inspireren.

Het tij van zijn gebrekkig succes als componist zou echter keren bij zijn bewering van een verzameling van 24 middeleeuwse gedichten, liederen en teksten gekend als de Carmina Burana. Hoewel van sommige liederen ook de originele muziek bewaard was gebleven, koos Orff ervoor om de ganse bundel in een nieuw muzikaal jasje te steken. Tegelijkertijd wist hij met zijn muziek het middeleeuwse karakter van de teksten te laten weerklinken. 

Carl Orff
Carl Orff ten tijde van de Carmina Burana.

Vanaf de eerste uitvoering in de Opera van Frankfurt op 8 juni 1937 was de Carmina Burana in Duitsland een immens succes, zelfs bij de heersende nazi-partij die aanvankelijk bezwaren had tegen de erotische ondertoon van sommige teksten. Dankzij dit succes kreeg Orff de erkenning die hij als componist verdient. Toch stuitte het werk ook op kritiek, waarbij tegenstanders, vol onbegrip voor de “ongebruikelijke” ritmes, zelfs racistische spot niet schuwden!

Tijdens de Tweede Wereldoorlog, waagde Orff zich, met iets minder succes, opnieuw aan een muzikale bewerking van oude teksten, deze keer geschriften van de Romeinse auteur Catullus, resulterend in de Catulli Carmina

Controverse en eerherstel

De houding van Orff naar de nazi-partij wordt vaak als controversieel beschouwd. Wanneer de nazi’s, als onderdeel van hun anti-Joodse politiek, opriepen om de muziek die de Joodse componist Mendelssohn schreef voor het toneelstuk A Midsummer Night’s Dream van Shakespeare, te vervangen door Duitse muziek, was Orff één van de weinigen die hierop ingang. Dit werd door sommigen gezien als een bewijs dat Orff nazi-sympathieën koesterde. Anderzijds had Orff al in de loop van de jaren ’20, en dus lang vooraleer de nazi’s in Duitsland aan de macht kwamen, muziek voor dit stuk geschreven en wellicht beschouwde hij de oproep eerder als een opportuniteit om zijn werk in de verf te zetten, dan dat hij het eens was met de anti-Joodse politiek van het nazi-regime.

Ook het feit dat hij weigerde om tussen te komen wanneer zijn Joodse vriend en verzetsstrijder Huber werd gearresteerd, omdat hij vreesde dat dit tot zijn eigen ondergang zou leiden, wordt door sommigen gebruikt om Orff van nazi-sympathieën te betichten. Hierbij rijst echter ook de vraag of Orff, wiens (katholieke) grootmoeder langs vader’s kant van Joodse afkomst was, niet terecht bang was dat zijn vriendschap met een Jood én verzetsstrijder hem zelf niet evenzeer in de cel zou laten belanden. 

Dat hij niet alleen bevriend was met Huber, maar ook met de Joodse musicoloog en componist Katz, die in 1939 Duitsland wist te ontvluchten, lijkt eerder te pleiten in het voordeel van Orff dan dat het erop wijst dat hij een actieve nazi-sympathisant was.

Toch werd hij na de Tweede Wereldoorlog omwille van deze aantijgingen voor de rechtbank gebracht, maar wist hij zich voldoende te verdedigen om in ere hersteld te worden. Hierdoor kon hij verder gaan met componeren en zijn inkomsten uit uitvoeringen van oudere werken behouden.

Carl Orff als zeventiger
Carl Orff als zeventiger

Zijn na-oorlogse werken zijn voornamelijk muzikale bewerkingen van stukken uit de Griekse oudheid, maar worden slechts zelden op het podium uitgevoerd omdat de productiekosten ervan zeer hoog zouden liggen.

Orff’s laatste werk, De temporum fine comoedia, dateert van 1973 en wordt beschouwd als een zeer persoonlijk werk waarin de componist zijn visie weergeeft op het einde der tijden. 

Hij overleed op 86-jarige leeftijd in München op 29 maart 1982 aan kanker en liet één dochter na.

(Bron: Wikipedia)