Heinrich Ignaz Franz Biber

Heinrich Ignaz Franz Biber (1644-1704)

Over de jeugdjaren van de Boheemse componist Heinrich Ignaz Franz Biber is weinig bekend. Hij werd op 12 augustus 1644 gedoopt in het Boheemse Wartenburg, dat toen deel uitmaakte van het rijk van de Habsburgers. Over zijn ouders is niets gekend en ook over zijn muzikale opleiding bestaat enige onzekerheid. Mogelijk kreeg hij muzieklessen van een lokale orgelist, en aan het Jezuïtische gymnasium van Troppau. Volgens sommige bronnen zou Biber ook bij Antonio Bertali, de kapelmeester aan het Habsburgse hof in Wenen, gestudeerd hebben, maar dit wordt door anderen dan weer in twijfel getrokken.

Biber’s eerste gekende muzikale publicatie, Salve Regina, dateert uit 1663 Vijf jaar later kreeg hij zijn eerste aanstelling, als muzikant aan het hof van bisschop Karl II van Liechtenstein-Kastelkorn. Al op dat ogenblik genoot hij een uitstekende reputatie als violist. 

Salzburg

Wanneer Karel II de 26-jarige Biber in 1670 naar Innsbruck stuurde, hield de componist halt in Salzburg en trad hij, buiten het medeweten van zijn werkgever om, in dienst van de aarts-bisschop van Salzburg. Gelukkig kwamen de bisschop en aartsbisschop tot een overeenkomt, en volgden er geen sancties tegen de componist.

Heinrich Ignaz Franz Biber
De enige gekende afbeelding van Biber komt uit een publicatie van viool sonates uit 1681.

Niet helemaal gelukkig met het vertrek van Biber, zou Karel II de componist nog tot 1676 in zijn dienst houden met als gevolg dat Biber regelmatig nieuwe werken naar het hof van Liechtenstein-Kastelkorn zou sturen. Hoewel Biber op het ogenblik van zijn verhuis naar Salzburg al een gerenommeerd muzikant was, werd zijn aanzien aan het Salzburgse hof alleen maar groter.

Hoe zeer hij in de gunst van de aartsbisschop stond, wordt onder meer duidelijk uit het feit dat het in diens buitenverblijf was dat Biber op 30 mei 1672 in het huwelijk trad met Maria Weiss, de dochter van een vooraanstaand Salzburgs koopman. Met haar zou hij 11 kinderen hebben, waarvan er slechts 4 de volwassen leeftijd bereikten. Drie van hen zouden overigens in de voetsporen van hun vader treden.

Tegen 1677 was de componist/violist zodanig beroemd dat hij op kon treden voor de Habsburgse keizer Leopold I, die hem dertien jaar later, in 1690, tot de adelstand zou verheffen. 

In 1679 werd Biber plaatsvervangend kapelmeester aan het hof van Salzburg en vijf jaar later, kapelmeester. Aan de kathedraal van Salzburg beschikte Biber zowel over een aanzienlijk orkest, also over een uitmuntend koor, waarvoor hij zowel sacrale als meer dramatische werken componeerde. Hij toonde een bijzondere beheersing van het contrapunt, koorschrijven en variatietechnieken. In 1682, voor de 1100ste verjaardag van de oprichting van het aartsbisdom, componeerde hij de Missa Salisburgensis, die gebruik maakte van zeven verdeelde ensembles verspreid over de kathedraal.

Hij componeerde heel wat werken voor “zijn” instrument viool, waaronder sonates voor viool en klavecimbel en sonates voor viool en basso continuo. Tijdens zijn leven gold hij dan ook als één van de meest toonaangevende violisten en  viool-componisten van zijn tijd, maar na zijn dood richtten muzikanten en componisten zich meer op de stijl van de Italiaanse violist en componist Arcangelo Corelli.

Heinrich Ignaz Franz (von) Biber overleed op 59-jarige leeftijd in Salzburg op 3 mei 1704. Hij werd begraven op het Petersfriedhof waar een gedenkplaat aan de componist herinnert.

(Bron: Wikipedia, Britannica)