Giovanni Pierluigi da Palestrina (ca. 1525-1594)

De Italiaanse componist Giovanni Pierluigi da Palestrina, werd vermoedelijk omstreeks 1525 geboren als Giovanni Pierluigi in het stadje Palestrina. De naam waaronder hij beroemd werd, (da) Palestrina, dankt hij aan de plaats waar hij geboren werd. Hoewel sommige auteurs zijn geboortedatum op 3 februari 1525 zetten, is zelfs zijn geboortejaar eerder hypothetisch. Toch zou deze datum kunnen kloppen, als ook de bewering dat hij een dag voor zijn 69ste verjaardag overleed. Dat was op 2 februari 1594.

Over Palestrina’s vroege jeugd en muzikale opleiding is weinig of niets gekend. In 1737, een jaar nadat zijn moeder overleden is, duikt hij op als koorzanger in de Santa Maria Maggiore basiliek in Rome, waar hij literatuur en muziek studeerde. Dat hij rond zijn 12de al als koorzanger actief was, wijst er alvast op dat hij in de jaren voordien minstens al als zanger geschoold werd. In 1540, rond zijn 15de dus, verhuisde hij effectief naar Rome, waar hij het grootste deel van de rest van zijn leven door zou brengen.

Al snel werd Palestrina geboeid door een muziekstijl die uit het noorden kwam, uit de Lage Landen, de polyfonie. Tot dan waren de meeste polyfonisten die in Italië werkten overigens ook uit de Lage Landen afkomstig. Zo, onder andere, de in de streek van Mons geboren Orlando Lassus, die een belangrijke rol heeft gespeelde in de verdere opleiding van Palestrina.

Giovanni Pierluigi da Palestrina (1525-1594)
Giovanni Pierluigi da Palestrina

Orgelist, kapelmeester en componist

In 1551 benoemde paus Julius III hem tot kapelmeester van de Capella Giulia, het koor van de Sint Pieter basiliek in Rome, nadat hij een aantal jaren orgelist was geweest in de kerk van zijn geboortestad. Zijn eerste publicatie van composities dateert van 1554 en was aan Julius III opgedragen. Het was de eerste publicatie van een reeks missen door een Italiaanse componist, wat meteen ook heeft bijgedragen aan de populariteit van Palestrina. 

De opvolger van Julius III, Paulus IV, echter, was van mening dat leden de Capella Giulia tot de clerus moesten behoren, en aangezien Palestrina getrouwd was en kinderen had, verloor hij hierdoor zijn aanstelling.

In de loop van de jaren die daarop volgden, had hij verschillende posten als kapelmeester in verschillende andere kerken in Rome, waaronder de Santa Maria Maggiore. 

Ook privé volgden jaren van tegenslag. Hij verloor zijn broer, twee zonen en zijn vrouw in verschillende pest epidemieën. In 1571 kon hij terugkeren naar de Capella Giulia, waar hij tot aan zijn dood zou blijven werken. Na de dood van zijn vrouw overwoog hij om priester te worden, maar trouwde uiteindelijk met een rijke weduwe, wat hem meteen de financiële gaf om zich meer op de compositie te richten.

Hij overleed op 2 februari 1594 en werd in de Sint Pieter basiliek in Rome begraven. De precieze locatie van zijn graf is verloren gegaan.

Nalatenschap

Palestrina schreef honderden werken, waaronder 105 missen, 140 madrigalen en meer dan 300 motetten. Aangezien hij een groot deel van zijn leven aan een kerk verbonden was, is het niet verbazingwekkend dat de meerderheid van zijn composities sacraal van aard is. Zijn houding ten opzichte van profane muziek was eerder veranderlijk. Waar hij in het voorwoord van de publicatie van het Canticum Canticorum profane teksten nog afzwoer, publiceerde hij 2 jaar later, in 1584 een reeks seculiere madrigalen.

Hij ontwikkelde een stijl die bij zijn tijdgenoten navolging vond en die hedendaagse muziekhistorici beschouwen als definiërend voor de laatste generatie van renaissance polyfonisten. Dat hij de eerste Italiaanse componist van betekenis was die polyfone muziek schreef, maakte hem bij zijn tijdgenoten heel geliefd. Ook na zijn dood bleef zijn werk een inspiratiebron voor sacrale muziek, zoals bijvoorbeeld de Mis in b mineur van Johann Sebastian Bach, meer dan een eeuw na zijn dood. 

(Bron: Wikipedia)