Graupner, Christoph (1683-1760)

Christoph Graupner werd op 13 januari 1683 geboren in Hartmannsdorf, nabij het Saksische Kirchberg. Hij kreeg zijn eerste muziekonderricht van zijn oom, de organist Nicolaus Kuester. In Leipzig, waar hij ook rechten studeerde, vervolledigde hij zijn studies bij Johann Kuhnau, de cantor van de Thomaskirche. Daar ontmoette hij ook Johann Friedrich Fasch, die later zijn leerling zou worden, en Johann David Heinichen.

De 'Oper am Gänsemarkt'

Van 1705 tot 1709 speelde Graupner klavecimbel voor de Oper am Gänsemarkt in Hamburg.

Tijdens de godsdienstoorlogen van de 17de eeuw, bleef Hamburg neutraal waardoor de stad gespaard bleef van het oorlogsgeweld dat andere steden verarmde. De toename van de Hamburgse welvaart bracht ook een stijgende vraag naar cultuur en muziek met zich mee. In 1678 opende in Hamburg de Oper am Gänsemarkt, de eerste en belangrijkste opera in het Duitse taalgebied van die tijd.

Het mag dan ook niet verbazen dat Graupner in Hamburg andere musici leerde kennen, zoals Georg Friedrich Händel, die viool speelde aan de Oper, en Johann Mattheson.

Behalve klavecimbel spelen, componeerde Graupner in Hamburg ook 6 opera’s.

De Oper am Gänsemarkt waar Christoph Graupner klavecimpbel speelde
De Oper am Gänsemarkt naar een tekening uit 1726.

Hofkapelmeester in Hesse-Darmstadt

In 1709 aanvaarde hij een post aan het hof van de landgraaf van Hesse-Darmstadt, waar hij twee jaar later, in 1711, zoveel indruk had gemaakt dat hij tot hofkapelmeester werd benoemd. Daar bestond zijn voornaamste taak uit het produceren van muziek voor de kapel van het hof.

Originele partituur van Graupner uit 1726
De originele partituur van de cantate die Graupner in 1726 schreef voor de verjaardag van de vorst van Hesse-Darmstadt.

Hoewel Graupner tot aan het einde van zijn leven in dienst zou blijven van de vorst van Hesse-Darmstadt, liep dit niet altijd van een leien dakje. De ambitie van de vorst om een bloeiende opera op te zetten in zijn gebied, stuitte op ernstige financiële problemen waardoor de opera moest sluiten. Meer nog, heel wat medewerkers van de opera, waaronder Graupner, kregen hun loon niet meer uitbetaald en dus postuleerde hij voor de functie van cantor in de Thomaskirche in Leipzig, die door het overlijden van Kuhnau vacant was geworden.

Nadat Georg Philip Telemann de post had afgewezen omdat hij in Hamburg tegen een betere betaling kon verder werken, viel de keuze op Graupner. De vorst van Hesse-Darmstadt wilde hem echter niet laten gaan, betaalde zijn achterstallige loon en verhoogde zelfs zijn salaris. De vacature in Leipzig ging dan uiteindelijk naar Johann Sebastian Bach.

Nalatenschap

Hoewel Graupner in 1754 blind werd en stopte met componeren, bleef hij hofkapelmeester tot aan zijn dood op 10 mei 1760. Hij had dan 8 opera’s geschreven, 1418 geestelijke en 24 wereldlijke cantates, 113 symfonieën, 85 suites, 44 concerti, en tal van kamermuziek, onder meer een aantal schitterende triosonates, en orgelmuziek.

Op het overlijden van Graupner volgde een juridische strijd tussen zijn nabestaanden en zijn werkgever die -gelukkig- door deze laatste werd gewonnen. Gelukkig, want Graupner’s erfgenamen wilden, conform zijn eigen wensen, het volledige oeuvre vernielen! 

De originele partituren belandden in de archieven waar zij, zoals vaak ook het geval was met veel andere componisten uit die period, vergeten werden. Het duurde tot het begin van de 20ste eeuw vooraleer zij weer tevoorschijn kwamen, en bij mondjesmaat gepubliceerd werden. Het zou pas op het einde van de jaren ’90 van de 20ste eeuw zijn, dat Graupner bij het grotere publiek bekend werd.

(Bron: Wikipedia)

Deze componist bij Klassiek in de Kapel