Monteverdi, Claudio (1567-1643)

Claudio Monteverdi
Claudio Monteverdi omstreeks 1630

Claudio Monteverdi werd op 15 mei 1567 gedoopt in Cremona, waar hij wellicht de voorgaande of dezelfde dag was geboren. Hij was de oudste zoon van de apotheker Baldassare en diens eerste vrouw Maddalena Zignani. Met Maddalena kreeg Baldassare nog een zoon, Giulio Cesare in 1673, voor zij overleed. Baldassare hertrouwde twee keer. Uit beide huwelijke kwamen nog twee zonen en twee dochters voort.

Van de zes kinderen van Baldassare hadden de twee oudste een sterke aanleg voor muziek. Helaas weten we heel weinig over het muzikaal onderricht dat Claudio en Giulio Cesare gekregen hebben. Op zijn 15de publiceerde Claudio zijn eerste werk en daarbij vermeldde hij dat hij een leerling was van de kapelmeester van de kathedraal in Cremona, Marc’Antonio Ingegneri. 

Ingegneri was een conservatieve componist uit de late renaissance en dat is ook merkbaar in Monteverdi’s eerste publicatie, waarin de invloed van zijn leermeester onmiskenbaar is.

Dat eerste werk was een boek madrigalen. Madrigalen zijn op muziek gezette bestaande en vaak ook oudere gedichten met uiteenlopende thema’s gaande van eerder spirituele teksten naar meer wereldse, zoals liefde en, natuurlijk, liefdesverdriet.

Heel typisch voor het madrigaal als muziekstijl is dat de muziek doorloopt met weinig herneming van thema’s of refreinen.

Ontstaan in Italië in de 14de eeuw was deze muziekvorm tijdens de renaissance periode immens populair doorheen gans Europa.

In totaal zou Monteverdi acht boeken aan madrigalen publiceren, en daarbij liet hij de stijl van zijn leermeester ver achter zich. Veel van de gedichten die op muziek gezet werden, immers, vroegen om meer expressie en daarvoor ging Monteverdi onder meer te rade bij de progressievere componist Luca Marenzio en later bij Giaches de Wert.

In dienst van de hertog van Mantua

Uiteraard moest ook Monteverdi een inkomen hebben en daarvoor trad hij omstreeks 1591 in dienst bij de hertog van Mantua. Daar speelde hij de viola da gamba of de viola da braccio. Hij bleef ook verder componeren en droeg zijn derde boek madrigalen op aan de hertog.

Monteverdi was niet altijd even gelukkig met de hertog. Niet alleen werd hij regelmatig te laat of te weinig betaald, hij moest zijn meester ook vaak vergezellen op diens reizen doorheen Europa. Daarbij beklaagde hij zich dat hij zijn vrouw en kinderen in Italië moest achterlaten, vaak met amper voldoende geld om die periode door te komen.

Toch hadden de reizen van de hertog ook een positieve kant: niet alleen werd de naam Monteverdi doorheen Europa bekend, de componist maakte ook kennis met de werken van andere componisten. Componisten die al wel eens ‘durfden’ experimenteren met de muziekstijl. En het was deze weg die ook Monteverdi in zou slaan!

De 'seconda prattica'

De vernieuwingen die Monteverdi en enkele van zijn tijdgenoten aanbrachten en die uiteindelijk de geboorte van de barok muziek in zou zetten, stuitten ook op heel wat weerstand bij de meer conservatieve componisten van die tijd. Met name Giovanni Artusi was heel kritisch tegen deze ‘moderne’ muziek, die hij ‘seconda prattica’ noemde, als ware deze minder verheven en secondair ten opzichte van de traditionele renaissance stijl, de ‘prima prattica’. Daarbij schijnt Artusi vooral Monteverdi in het vizier genomen te hebben en noemde hij diens werk zelfs het werk van een waanzinnige.

In zijn weerwoord, dat trouwens enkele jaren op zich liet wachten, prees Monteverdi de kwaliteiten van de late renaissance muziek, en stelde hij dat muziek geschreven in de ‘seconda prattica’ stijl er best langs kon bestaan. 

Zijn leven lang bewees hij trouwens dat de twee stijlen langs elkaar konden bestaan en bleef hij werken produceren in zowel de late renaissance stijl als in de nieuwe stijl. 

Eigen aan de ‘seconda prattica’ was, onder meer, dat de muziek ten dienste moest staan van de inhoud van de gezongen tekst. Elke emotie die in een tekst aanwezig was, moest haar weerklank in de muziek terug vinden. Dit mondde uit in een heel nieuw genre binnen de muziek, waarbij tekst, muziek en theatrale uitbeelding samen gingen: de opera.

Rond de eeuwwisseling werden er reeds enkele werken geschreven die als opera-achtig bestempeld kunnen worden, toch wordt Monteverdi’s L’Orfeo, die op 24 februari 1607 aan het hof van Mantua in première ging, als de eerste volwaardige opera beschouwd.

Het succes van L’Orfeo aan het hof van Mantua was groot, maar werd (nog) niet geëvenaard aan andere Europese hoven. Dit hield Monteverdi niet tegen om al in 1608 zijn tweede opera uit te brengen: L’Arianna. Volgens ooggetuigen wist de muziek het publiek tot tranen toe te beroeren. In tegenstelling tot L’Orfeo echter, vroeg de hertog van Mantua van L’Arianna niet om een tweede voorstelling. Het succes van beide werken was echter voldoende om navolging te vinden bij andere componisten.

Venetië

Met het overlijden van hertog Vicenzo van Mantua in februari 1612, verloor Monteverdi zijn beschermheer aan het hof. De nieuwe hertog, Francesco, ontsloeg een groot deel van zijn voorganger’s hofhouding, waaronder de twee broers Monteverdi -Giulio Cesare was immers ook sinds enige jaren in dienst bij de overleden hertog. 

Het daarop volgende jaar al, aanvaardde Claudio Monteverdi de post van maestro in de befaamde San Marco basiliek van Venetië. In tegenstelling tot zijn vorige werkgever, betaalden de Venetianen goed en ook op tijd. Na de eerste drie jaar werd zijn aanstelling met  nog eens tien jaar verlengd en vroeg men hem om de rest van zijn leven in de stad te blijven wonen.In Venetië beschikte Monteverdi over alle middelen die hij nodig had: niet alleen een degelijk inkomen, maar ook een muzikale staf die als de beste van Europa werd beschouwd.

Twee jaar nadat de pest die in 1630 Mantua en Venetië in zijn greep had gehouden, stopte Monteverdi met componeren en werd hij priester. Wanneer een vijftal jaar later in Venetië het eerste operagebouw werd geopend, keerde zijn belangstelling in de opera terug. Hij schreef vier nieuwe opera’s, waarvan er twee bewaard zijn gebleven. Ook zijn tweede opera, L’Arianna werd van onder het stof gehaald.

Hij overleed in Venetië op 29 november 1643, na een korte ziekte die hij mogelijk had opgelopen tijdens zijn laatste reis naar Mantua en naar zijn geboortestad Cremona. Niet alleen door de rol die hij gespeeld heeft in de geboorte van de barok en de opera, maar ook door zijn uitgebreide oeuvre is Monteverdi’s muzikale nalatenschap immens. 

(Bronnen: Monteverdi, De Klassieke Muziek Collectie nr. 49, De Agostini, 1995 | Wikipedia)

Deze componist bij Klassiek in de Kapel