De Onvoltooide Symfonie van Schubert (DV 759)

Franz Schubert
Franz Schubert omstreeks 1825

De Onvoltooide Symfonie van Schubert (DV 759), zijn achtste, is één van de vele onvoltooide werken die de componist heeft nagelaten. Hij begon er aan in 1822 en bood de twee eerste delen in het daarop volgende jaar aan de Steiermärkischen Musikverein aan. Hoewel een symfonie in principe uit 4 of 5 delen bestond en hoewel er aanwijzingen zouden zijn dat Schubert aan een derde deel begonnen was, interpreteren sommige muziekhistorici dit als dat de componist deze symfonie na 2 delen als afgewerkt beschouwde. 

Het is alvast duidelijk dat Schubert zelf, om welke reden dan ook, “klaar” was met dit werk. Misschien was hij er ontevreden over, of zag hij niet meteen hoe een derde en een vierde deel nog iets aan het werk toe zouden kunnen voegen.

Voor de hedendaagse toehoorder ligt een deel van de charme van dit werk wellicht net in het feit dat Schubert ze niet heeft afgewerkt en we ons alleen maar kunnen afvragen hoe zij verder zou gegaan zijn. 

Maar de charme en de kracht van Schubert’s 8ste symfonie liggen niet uitsluitend daar!

Het eerste deel, een allegro moderato, schreef Schubert in de vorm van een sonate, een stuk uit drie delen waarvan het thema van het derde deel een synthese is van de thema’s van de twee eerste delen. Het begin van dit deel, zacht klinkende strijkers waarop de hobo en de klarinet het hoofdthema invullen, trekt met haar mysterieuze sfeer meteen onze aandacht. Fagotten en hoorns voegen de nodige intensiteit toe en de wisselwerking tussen de zachtheid van het hoofdthema enerzijds en de kracht van de blazers anderzijds, leidt dit deel gestaag naar haar climax.

In het tweede deel, een andante con moto, nemen altviolen en violen het rustige begin voor hun rekening. Hout- en koperblazers vallen in en leiden samen met de strijkers naar een dramatisch middendeel, waarvan het hoogtepunt gevolgd wordt door een rustig slot waarin het thema van het eerste stuk van dit deel hernomen wordt.

(Bronnen: Schubert, De Klassieke Muziek Collectie nr. 7, De Agostini 1995 | Wikipedia)