Joseph Bologne de Saint-Georges (1745-1799)

De multi-getalenteerde Joseph Bologne de Saint-Georges is wellicht één van de meest opmerkelijke figuren uit de Franse muziekgeschiedenis. Hij werd op 25 december 1745 in Guadeloupe als zoon van de Franse landeigenaar Georges Bologne de Saint-Georges, en de toen 17-jarige Afrikaanse slavin Nanon. Hoewel Georges Bologne getrouwd was, erkende hij Joseph als zijn zoon, gaf hij hem zijn familienaam en zorgde hij ervoor dat Joseph een uitmuntende opleiding kreeg.

Een nobele opvoeding

In 1753 stuurde Georges zijn zevenjarige zoon naar een kostschool in Angoulème in Frankrijk, onder de hoede van zijn oom, Pierre. Twee jaar later vervoegden Georges en Nanon hun zoon en namen ze hun intrek in een ruim appartement in Parijs.

Op zijn 13de werd Joseph ingeschreven in de schermschool van Texier de La Boëssière nabij het Louvre, waar hij leerde paardrijden en schermen. Binnen de kortste keren blonk hij uit in deze school en klopte hij niet alleen zijn medeleerlingen maar ook de schermmeester van Rouen die “Boëssière’s parvenu mulat een lesje wou leren”.

Er is weinig tot geen informatie beschikbaar over de muzikale educatie van Saint-Georges. Gezien zijn opmerkelijke virtuositeit als volwassene, lijkt het redelijk aannemelijk dat hij in zijn jeugd intensief moet hebben getraind op de viool, wellicht onder de begeleiding van een andere vioolmeester. 

In koninklijke kringen

Enkele jaren eerder, maar ten laatste in 1766 toen hij in de schermschool afstudeerde, werd hij Gendarme du Roi, lijfwacht van de koning, Lodewijk XV en kreeg hij de titel van chevallier. Hij wist met zijn degenkunsten ook indruk te maken op verschillende historische figuren, waaronder de spion Chevallier d’Eon en Louis Philippe II d’Orleans, een nauwe verwant van de koning die zich tijdens de Franse Revolutie Philippe Egalité zou noemen.

Behalve een meester in paardrijden en de degenkunsten, viel Saint-Georges eveneens op als een zeer getalenteerd muzikant. Al bij zijn eerste publieke optreden, als violist in het Concert des Amateurs in 1769, verraste Saint-Georges het publiek met een beheersing van de viool die zijn kunnen met de degen en te paard zeer vlot evenaarde. In 1772 speelde hij voor het Concert des Amateurs de solo-viool en het jaar erna volgde hij de oprichter van het ensemble, François-Joseph Grossec op als dirigent. Onder zijn leiding groeide het orkest uit tot het beste van Parijs, en volgens sommigen zelfs van Europa.

Saint-Georges’ eerste gekende composities zijn een aantal strijkkwartetten, geïnspireerd op Haydn, die hij in 1770 of 1771 schreef. Datzelfde jaar al, droeg de Duits-Tsjechische componist Carl Stamitz zes van zijn eigen strijkkwartetten op aan Saint-Georges.

Joseph Bologne de Saint-Georges
Portret van Joseph Bologne de Saint-Georges uit 1788

In 1776 werd Saint-Georges voorgesteld als directeur van de Paris Opéra, die zowel financieel als artistiek in het slop zat. De post ging uiteindelijk naar Antoine Dauvergne, naar verluid nadat drie diva’s hun beklag bij koningin Marie Antoinette hadden gedaan dat hun “eer het niet toeliet im instructies van een mulat te krijgen”. Nochtans stond de koningin zelf niet afkerig tegen Saint-Georges, wiens concerten ze regelmatig bijwoonde. Als violist was Saint-Georges overigens ook wel te gast in het theaterzaaltje van het Petit Trianon, het buitenverblijf van Marie Antoinette, waar hij, door de koningin zelf op piano forte begeleid, zijn werken aan haar vriendenkring voorstelde.

Ondanks de tegenwerking die hem zijn aanstelling bij de Paris Opéra had gekost, richtte Saint-Georges zijn aandacht steeds meer op de opera. Zijn eerste bijdrage aan dit genre, Ernestine, op een libretto van Pierre Choderlos de Laclos, ging op 19 juli 1777 in de Comédie Italienne in première maar was, ondanks de steun van de koningin en haar entourage, een flop. Daarbij werd niet zozeer de muziek onder vuur genomen, maar het libretto.

De mislukte opera bracht Saint-Georges enige geldzorgen. Onder de indruk van zijn kunnen wierf wierf Madame de Montesson, de echtgenote van Louis Philippe I d’Orléans, hem aan als muzikaal directeur van haar eigen privé theater. 

D’Orléans zelf benoemde hem daarenboven tot luitenant de la chasse van zijn jachtgebied in Raincy, wat hem een extra salaris van 2000 livres per jaar opleverde. In Raincy componeerde Saint-Georges zijn tweede opera, La partie de chasse. De première, die op 12 oktober 1778 in de Comédie italienne in Parijs plaats vond, was, in tegenstelling tot Ernestine, een denderend succes. Het applaus was overweldigend, de kritieken lovend en de koningin vroeg zelfs een privé uitvoering in het paleis van Marly!

Aangemoedigd door dit succes, begon Saint-Georges aan zijn volgende opera, L’amant anonyme. In deze opera vertelt hij het verhaal van Léontine, een jonge weduwe, en haar geheime aanbidder die haar overlaadt met geschenken en liefdesbrieven. Het libretto was gebaseerd op een gelijknamig toneelstuk van Madame de Genlis, een nicht van zijn beschermvrouw, Madame de Montesson. Het was dan ook passend dat de opera op 18 maart 1780 in première ging in het privé theater van de Montesson. Het zou niet alleen zijn meest succesvolle opera zijn, maar ook de enige die volledig bewaard is gebleven. Van zijn twee eerste opera’s werden enkele stikjes bewaard van zijn volgende helemaal niets.

In 1781, na de publicatie van de Compte rendu die de slechte financiële staat van het land onthulde, moest het Concert des Amateurs van Saint-Georges worden ontbonden door geldgebrek. Opnieuw snelde d’Orléans zijn vriend te hulp, en bracht hij het  Concert des amateurs onder in de exclusieve vrijmetselaars, de Loge Olympique. Bestaande uit de beste musici van Parijs die lid konden worden van de Vrijmetselaars, werd het orkest hernoemd naar Le Concert Olympique en ondergebracht in het theater van het Palais Royal in het centrum van Parijs. 

Met het overlijden van d’Orleans in 1785 verloor Saint-Georges een van zijn voornaamste beschermers. Meer nog, Lodewijk XVI had aan de weduwe van d’Orleans, Madame de Montespan, verboden om te rouwen -wellicht omdat zij van ‘lagere’ herkomst was-, waardoor zij zich genoodzaakt zag haar privé theater te sluiten. De zoon en opvolger van de overleden hertog, Louis Philippe II, nam de componist daarop zelf onder zijn vleugels. De nieuwe hertog besloot ook om het Palais Royal te renoveren, waardoor het Concert Olympique tijdelijk op andere andere locaties dienden te spelen. Zo werden de symfonieën die Saint-Georges in 1786 bij Haydn had besteld, uitgevoerd in het Tuilerieën paleis, met Saint-Georges zelf als dirigent.

De Franse Revolutie

In 1787 en 1789 reisde Saint-Georges naar Londen, waar hij contact had met een beweging die de slavernij wou afschaffen. Hij maakte van de gelegenheid gebruik om zowel zijn degenkunsten als zijn vaardigheden als muzikant te tonen. Bij de terugkeer van zijn tweede reis stond Frankrijk in rep en roer. De koninklijke familie was uit Versailles weggevoerd en in het Tuilerieën paleis ondergebracht terwijl Assemblée Nationale, die de Staten Generaal verving, debatteerde over de toekomst van het koningshuis en het land.

Eind 1790 sloot werd Saint-Georges in Rijsel lid van de Garde Nationale, wat hem echter niet weerhield om te componeren en concerten te geven. Toch stond een deel van de bevolking, door zijn banden met het koningshuis en met Louis Philippe II, die als Philippe Egalité ondanks het feit dat hij de kant van de revolutie had gekozen, eind 1793 toch werd geëxecuteerd, wantrouwig tegenover Saint-Georges. Dit wantrouwen bracht hem kort na de executie van Philipe Egalité zelf ook in de gevangenis, maar na 11 maanden opsluiting werd hij in oktober 1794 weer vrijgelaten. Hij werd, samen met tal van anderen, uit het leger gezet, waardoor muziek zijn enige bron van inkomsten werd.

Zijn laatste jaren leefde Saint-Georges in armoede. Hij negeerde gezondheidsproblemen, waaronder een zweer aan zijn blaas, die hem op 9 juni 1799 fataal werd. Hij werd begraven op het Cimetière Sainte-Marguerite.

Muzikaal nalatenschap

Saint-Georges was, ondanks al zijn andere bezigheden, als componist zeer productief. Hij bracht verschillende opera’s voort, also ook tal van symfonieën, viool concertos, kamermuziek en vocale muziek. Slechts een deel van zijn uitgebreide oeuvre is bewaard gebleven, volgens sommige biografen omdat Napoleon het zou laten vernielen hebben, maar hier is geen bewijs voor.

Bij het ruime publiek geraakte Saint-Georges in de vergetelheid, terwijl hij in de eerste plaats in ‘hogere’ kringen herinnerd werd voor zijn schermkunsten. Als componist kwam hij vanaf het einde van de 20ste eeuw terug in de belangstelling, onder meer door de geromantiseerde biografische film Chevallier uit 2022. 

Sinds eind vorige eeuw zijn verschillende van de composities die van Saint-Georges bewaard zijn gebleven, opgenomen en worden ze ook regelmatig opnieuw uitgevoerd. 

(Bron: Wikipedia)