Robert Schumann (1810-1856)

Robert Schumann was een Duitse componist, muziek-criticus en pianist uit de eerste helft van de 19de eeuw. Hij werd als vijfde en jongste kind geboren in het gezin van boekenhandelaar en uitgever August Schumann en zijn vrouw Johanna Christina Schnabel. Robert toonde al op heel erg jonge leeftijd een zeer sterke belangstelling voor zowel muziek als, wellicht onder invloed  van zijn vader, literatuur. 

Op zijn zevende begon Robert aan zijn muziekstudies bij Johann Gottfried Kuntzsch, waar hij algemene muziektheorie en pianolessen van kreeg. Ook zonder de hulp van zijn leraar, echter, schreef schreef hij toen al verschillende muziekstukken. Hierbij negeerde hij de toen heersende regels en conventies in de muziek compositie, wat hem een veel grotere expressiviteit gaf. Naar verluid zou hij er als kind zelfs in geslaagd zijn om met muziek het karakter van enkele van zijn vrienden vrij goed weer te geven!

Tussen muziek en rechten

Na het overlijden van zijn vader in 1826, toonden Schumann’s moeder en voogd aanvankelijk nog maar weinig belangstelling voor zijn muzikaal en literair talent. Liever wilden ze dat hij rechten zou gaan studeren en onder druk van zijn familie schreef hij zich in 1828 dan ook in aan de universiteit van Leipzig om rechten te studeren. Eens in Leipzig, echter, legde hij zich meer toe op muziek en literatuur. Het is rond deze tijd dat hij ook pianolessen ging volgen bij Friedrich Wieck.

Het volgende jaar stuurde zijn moeder, wellicht in een poging om een einde te maken aan Robert’s piano studies, hem naar de universiteit van Heidelberg, om er zijn rechtenstudies verder te zetten. Na een zeer uitvoerig pleidooi, echter, stemde zijn moeder er in 1830 eindelijk in toe om hem terug naar Leipzig te laten keren, waar hij zijn pianostudies bij Wieck verder kon zetten. Schumann huurde ook enige tijd een kamer in de woning van zijn leermeester en was er nadien ook buiten zijn pianolessen, een regelmatige gast. Het was bij één van deze gelegenheden dat Schumann Felix Mendelssohn ontmoette, voor wie hij meteen een sterke bewondering ontwikkelde. 

Wieck zelf had verregaande ambities voor zijn leerling, die hij als de volgende grote concert-pianist zag. Helaas maakte een probleem met Schumann’s rechterhand een voortijdig aan deze ambitie. Wieck’s bewering dat dit probleem veroorzaakt werd door een instrument dat de flexibiliteit moest verhogen, wordt tegengesproken door de chronische aard van het probleem en het feit dat de Robert’s klachten zich niet beperkten tot die ene vinger. Hoe dan ook betekende deze aandoening het einde van de carrière als concert-pianist van Schumann, die zich daarna toelegde op de compositie. Daarbij ging zijn aandacht in de eerste plaats naar composities voor piano, en dat had niet alleen te maken met het feit dat dit het instrument was dat hij het beste kende.

Robert Schumann in 1850
Robert Schumann in 1850

Clara

Ten huize Wieck ontmoette Schumann ook Clara, de tweede dochter van zijn leermeester en tegelijk ook een zeer begenadigde pianiste. De bewondering die hij voor de 9 jaar jongere Clara koesterde groeide met de jaren uit tot veel meer. In 1834 brak Schumann een korte verloving af met Ernestine von Fricken omdat ze geen bruidsschat zou krijgen, maar misschien speelden sluimerende gevoelens voor de toen 15-jarige Clara hier ook een rol in.

Clara Wieck (later Shumann)
De 15-jarige Clara Wieck (Schumann) in 1834.

In december van datzelfde jaar verklaarden Robert en Clara elkaar de liefde, maar dit was niet naar de zin van Clara’s vader, Friedrich, die alle contact tussen de twee verbood en hen zelfs oplegde om de brieven die ze elkaar hadden geschreven, te verbranden!

Dit kon de romance tussen beide musici niet stoppen, en in 1837, toen Clara 18 was, vroeg Robert haar om haar hand. Friedrich, wiens officiële goedkeuring nodig was omdat Clara toen nog minderjarig was, weigerde opnieuw, wat resulteerde in een bittere juridische strijd. De rechter besliste in het voordeel van de aanklagers en op 12 september 1840, één dag vooraleer zij meerderjarig werd, trouwde Clara Wieck met Robert Schumann.

Natuurlijk was Schumann al die tijd als componist en als criticus niet stil blijven zitten! Uit 1834 dateert zijn Carnaval, op. 9, dat als één van zijn meest karakteristieke werken voor piano wordt beschouwd. In 1837 publiceerde hij zijn Davidsbündlertänze, op. 6 en in 1838 volgden de Kinderszenen, op. 15 waarin hij de onschuld en de speelsheid van de kindertijd weergeeft. Met het geliefde Traümerei uit dit opus geeft Schumann misschien een kortstondige blik in zijn eigen dromerige natuur.

Het muzikale 'Power koppel'

Al snel groeide het koppel Robert en Clara Schumann uit tot een vast begrip in de Duitse muzikale wereld van het midden van de 19de eeuw, waarbij Clara zich meer richtte op haar loopbaan als concert pianiste, en Robert verschillende nieuwe muziekstukken in de wereld zette.  We zouden haast van een muzikaal power koppel avant la lettre kunnen spreken.

Robert’s belangstelling voor literatuur en poëzie culmineerde in de loop van de jaren 1840 in een reeks liederen waarin hij gedichten van Joseph von Eichendorff, maar ook van Goethe en van Byron op muziek zette. In elk van deze liederen toont de componist zich een meester in het verweven van woord en muziek.

In 1841 componeerde hij vier symfonieën, terwijl hij zich in 1842 eerder wijdde aan de kamermuziek. Het daarop volgende jaar waagde hij zich aan de compositie van het oratorio Das Paradis und die Perl gebaseerd op werk van Thomas Moore, een werk dat hij bij de première zelf dirigeerde en dat zeer goed bij het publiek werd ontvangen.

Schumann’s eerste en ook enige opera, Genoveva, die in 1850 in Leipzig in première ging, werd dan weer slecht onthaald. Het libretto, gebaseerd op de legendarische figuur van Genoveva van Brabant en geschreven door Robert Reinick en Schuman zelf, stuitte al op heel wat negatieve opmerkingen van Richard Wagner. Schumann’s beslissing om geen recitatieven te gebruiken omdat ze volgens hem de muziek te zeer onderbraken, speelde wellicht ook een rol in de geringe waardering die het publiek voor zijn werk had. Toch legde Schumann met zijn werk de basis voor een nieuw soort opera, zonder recitatieven en waarin verhalen uit de Germaanse culturen, gezongen in het Duits centraal stonden. Een basis waarop Wagner zelf verder zou bouwen, en veel meer succes zou oogsten.

In 1850 werd hij ook muzikaal directeur in Düsseldorf, maar zijn kwaliteiten als dirigent lieten zodanig te wensen over dat de orkestleden zich tegen hem verzetten en hij kort na zijn aanstelling alweer ontslagen werd. In zijn composities richtte hij zich op verschillende stijlen binnen de klassieke muziek, maar werden zijn experimenten weinig gewaardeerd. Toch bleef hij een zodanig vooraanstaand componist dat in 1853 de tot dan toe niet zo bekende jonge Johannes Brahms bij hem aan de deur stond. Al snel groeide er een sterke vriendschap en bewonderiing tussen de Schumann’s en Brahms.

Mentale problemen

Hoewel Schumann’s kinderjaren vrij onbezorgd lijken geweest te zijn, kampte hij een belangrijk deel van zijn volwassen leven met mentale problemen. Helaas werden die problemen nooit gediagnostiseerd, laat staan degelijk behandeld, waardoor ze mettertijd alleen maar verergerden. Het feit dat hij soms heel wat muziek neerpende op zeer korte tijd, gevolgd door een periode van zware neerslachtigheid, wijst er volgens sommige onderzoekers op dat Schumann leed aan bipolaire stoornis. Volgens anderen was zijn mentale toestand, net zoals bij Smetana, het gevolg van een behandeling met kwik tegen syphilis. Volgens deze onderzoekers zou Schumann tijdens zijn studentenjaren syphilis kunnen opgelopen hebben, waarna de ziekte jaren lang latent bleef. Maar aangezien hij, ondanks verschillende kinderen, zijn echtgenote nooit lijkt besmet te hebben, is deze hypothese eerder onwaarschijnlijk.

Hij noteerde in zijn dagboek dat hij constant door een hoge la geplaagd werd. Soms hoorde hij ook muziek die er niet was, wat andere onderzoekers doet vermoeden dat de hoge la niet op tinnitus wijst, maar deel uitmaakte van Schumann’s mentale problemen.

De echte oorzaak van Schumann’s mentale aftakeling, zou mogelijk fysiek kunnen zijn. Bij de autopsie zou men immers een tumor gevonden hebben die de onfortuinlijke componist op de hersenen drukte. Afhankelijk van de betrouwbaarheid van deze autopsie, zou deze tumor minstens een deel van Schumann’s klachten kunnen verklaren.

Wat ook de oorzaak van de symptomen, op 27 februari 1854 gooide Schumann zichzelf van een brug over de Rijn, in een poging om zijn leven te beëindigen. Hij werd echter uit het water gered, maar eens terug thuis vroeg hij zelf om in een gesticht opgenomen te worden uit vrees dat hij zijn gezin kwaad zou berokkenen.

Kort na zijn zelfmoordpoging werd Schumann opgenomen in een krankzinnigen gesticht in Bonn. Aangezien zijn echtgenote, Clara, haar man er niet mocht gaan bezoeken, was het Brahms die regelmatig langs ging en haar op de hoogte hield. Pas twee dagen voor zijn dood werd Clara eindelijk toegang verleend tot haar man. Tegen dan was zijn toestand zodanig verslechterd dat Robert geen coherent woord meer gezegd kreeg. Hij overleed in het gesticht op 29 juli 1856 aan een longontsteking.

(Bronnen: Wikipedia)