Erik Satie (1866-1925)

De eigenzinnige componist Erik Satie werd als Éric Alfred Leslie Satie geboren op 17 mei 1866 in het Franse Honfleur. Hij was het eerste van vier kinderen van scheepsmakelaar Alfred Satie, en de Britse Jeanne Leslie Anton. Na de Frans-Pruissische oorlog van 1870, verhuisde het gezin Satie naar Parijs, maar na het overlijden van Jeanne Leslie in 1872, stuurde Alfred zijn kinderen terug naar Honfleur om er door hun grootouders opgevoed te worden. Bij het overlijden van hun grootmoeder in 1878, keerden Satie en zijn broer en zus uiteindelijk terug naar Parijs.

Intussen was Alfred hertrouwd met pianolerares  Eugénie Barnetche en het was zij die besloot dat haar toen 12-jarige stiefzoon, die niet met haar overeen kwam, in 1879 in het Conservatorium ingeschreven moest worden.

Lui en ongedisciplineerd

Zijn tijd aan het Conservatorium was niet Satie’s beste. Zelf omschreef hij het Conservatorium als “een enorm, zeer oncomfortabel en nogal lelijk gebouw; een soort districtsgevangenis zonder enige schoonheid aan de binnenkant – en ook niet aan de buitenkant”. Zijn leraren, anderzijds, omschreven hem als “begaafd maar lui”, en Descombes, zijn pianoleraar en zelf ooit leerling van Chopin, noemde hem zelfs “de luiste student aan het Conservatorium”. Zijn prestaties bleven ondermaats en in 1882 werd hij uit het Conservatorium gezet. 

In 1885 werd Erik Satie opnieuw toegelaten tot het Conservatorium, ditmaal onder de hoede van Georges Mathias, de voormalige pianoleraar van zijn stiefmoeder. Ondanks deze nieuwe kans maakte Satie weinig vooruitgang. Mathias beschreef zijn pianospel als “onbeduidend en moeizaam” en beoordeelde Satie zelf als “waardeloos,” met de toevoeging dat hij amper een partituur op het zicht kon lezen.

In deze periode ontwikkelde Satie een sterke interesse in religie. Hij bracht veel tijd door in de Notre Dame van Parijs, waar hij de glas-in-loodramen bestudeerde, en bezocht vaak de nationale bibliotheek op zoek naar obscure middeleeuwse geschriften. Deze fascinatie voor religie en middeleeuwse cultuur vond zijn weg naar zijn vroege composities, die beïnvloed waren door Gregoriaanse gezangen en de gotische architectuur van de Notre Dame.

Op zoek naar een manier om aan de strenge discipline van het Conservatorium te ontsnappen, besloot Satie in 1886 dienst te nemen in het leger. De hoop op een minder rigide omgeving werd echter niet waargemaakt, aangezien hij ook daar geconfronteerd werd met een strikte discipline. Om aan zijn militaire verplichtingen te ontkomen, zette Satie een list op touw. Hij liep opzettelijk een bronchitis op door in de winter, in ontbloot bovenlijf in de koude en de tocht te staan. Na drie maanden van herstel werd hij om gezondheidsredenen ontslagen uit het leger.

Erik Satie in 1909
De excentrieke Erik Satie in een foto uit 1909.

De 'bohémien' kunstscène

In 1887, kort na zijn ontslag uit het leger, trok Satie weg uit het huis van zijn vader en verhuisde hij naar Montmartre, dat toen nog geen deel uitmaakte van Parijs. Hij verbleef vlak bij het cabaret Chat Noir, dat bekend stond om haar ongebonden, en gekke stijl. Satie voelde zich er onmiddellijk thuis, en werd er niet alleen snel een stamgast, maar ook de huis-pianist.

In Montmartre, en dan in het bijzonder in Chat Noir, kwam Satie in aanraking met de bohémien kunstscène, een levendige en invloedrijke gemeenschap van kunstenaars en intellectuelen, die net als hijzelf de beperkingen van de maatschappij van zich af wilden werpen. Passend in deze nieuwe stijl mat hij zich ook een nieuw persona aan: een langharige man in een rokkostuum en een hoge hoed; de eerste van vele personae die hij in de loop van zijn leven zou aannemen.

Tussen 1888 en 1890 componeerde hij wat intussen wellicht zijn beroemdste composities zijn geworden, de Gymnopédies en de eerste Gnossiènnes, die door zijn vader werden uitgegeven. Door hun ogenschijnlijke eenvoud, het tegen elkaar uitspelen van herhaling en onvoorspelbaarheid en de subtiele, intieme atmosfeer die hij in deze werken oproept, brak Satie met de stijl van de klassieke muziek uit de late 19de eeuw, die vaak zwaar beladen, dramatisch en zeer complex was. Deze stijlbreuk zou in de loop van het fin de siècle navolging krijgen, en lag mee aan de basis in de evolutie van zowel het impressionisme als het minimalisme die tot ver in de loop van de 20ste eeuw zou naklinken.

Aan het bescheiden inkomen dat hij als pianist en dirigent verdiende bij de Chat Noir, kwam een einde wanneer hij ruzie kreeg met de eigenaar. Hij trok naar de nabijgelegen Auberge du Clou en werd er tweede pianist. Daar raakte hij bevriend met Claude Debussy, met wie hij een experimentele compositiestijl deelde. Beiden waren bohemiens en hadden moeite om financieel rond te komen.

Bij de Auberge du Clou ontmoette Satie de flamboyante “Sâr” Joséphin Péladan, voor wiens mystieke sekte, de Ordre de la Rose-Croix Catholique du Temple et du Graal, hij componist werd. Dit bood hem de kans om verder te experimenteren en leverde hem zijn eerste publieke optredens op in de modieuze Galerie Durand-Ruel.

Door geldgebrek verhuisde Satie van het 9e arrondissement naar een kleine kamer aan de rue Cortot, vlakbij de Sacré-Coeur. Hij beweerde dat hij vanuit zijn raam tot aan de Belgische grens kon kijken.

Midden 1892 had Satie de eerste stukken gecomponeerd in zijn eigen systeem (Fête donnée par des Chevaliers Normands en l’honneur d’une jeune demoiselle), achtergrondmuziek verzorgd voor een esoterisch toneelstuk (Préludes du Nazaréen), en een hoax gepubliceerd over een niet-bestaande opera (Le bâtard de Tristan).

Hij brak met Péladan en diens sekte en begon, samen met zijn vriend de Latour, aan het Uspud-project, een “Christelijk Ballet”.

Tussen 1893 en 1895 richtte hij, gekleed in een quasi-priesterlijk gewaad, de Eglise Métropolitaine d’Art de Jésus Conducteur op, waar hij vanuit zijn “Abbatiale” in de rue Cortot vernietigende aanvallen publiceerde op zijn artistieke vijanden.

Zijn vermoedelijk enige liefdesrelatie had hij in 1893 met de kunstenares Suzanne Valadon, die voor een korte tijd een woning betrok vlakbij de zijne. Satie was tot over zijn oren verliefd op haar, wilde met haar trouwen, maar wellicht was het zijn overmatige obsessie met haar die Valadon na een half jaar ervan overtuigde dat ze beter met hem brak. De componist bleef achter met “niets dan een ijzige eenzaamheid die het hoofd vult met leegte en het hart met verdriet”.

Van het cabaret naar de Schola Cantorum

Genoodzaakt door een geldgebrek, verhuisde Satie in 1898 naar een zeer bescheiden kamer in Arcueil, een achttal kilometer buiten het centrum van Parijs, hij niemand in toeliet. Hij veranderde opnieuw zijn persoonlijke stijl, en wandelde dagelijks naar Parijs in grijze kledij en bolhoed, met een paraplu in de hand. Hij bleef aan de slag als pianist voor het cabaret, waar bij honderden populaire muziekstukken herwerkte en er sommige van zijn eigen aan toevoegde. Eén van deze werken was de gezongen wals Je te veux, op een erotische tekst van Henry Pacory. Qua stijl weken ze sterk af van zijn eerdere composities en op latere leeftijd zou hij  al zijn cabaret-werken afdoen als verwerpelijk en tegen zijn aard. 

De première in 1902 van zijn vriend Debussy’s opera Pelléas et Mélisande, waarvan hij sterk onder de indruk was, bracht een drastische verandering in Satie’s visie op muziek. Vastberaden om zijn techniek te verbeteren, schreef Satie zich in oktober 1905 in als volwassen student aan de Schola Cantorum, tegen Debussy’s advies in. Tot 1912 studeerde hij daar onder leiding van Vincent d’Indy, die de nadruk legde op orthodoxe techniek in plaats van op creativiteit en originaliteit. Satie volgde contrapunt bij Albert Roussel en compositie bij d’Indy, en was een veel serieuzere en succesvollere student dan in zijn jeugd aan het Conservatorium.

Groeiende belangstelling

Het was pas in 1911 dat Satie in de publieke belangstelling kwam te staan. Dit had hij te danken aan Maurice Ravel, die verschillende van zijn stukken uitvoerde, en aan Debussy, die voor een orkestrale uitvoering van de Gymnopédies zorgde. Muziekuitgever Demets vroeg om nieuwe composities, wat Satie in staat stelde zijn werk in het cabaret achter zich te laten en zich volledig te wijden aan componeren. De pers begon over Satie’s muziek te schrijven, en de vooraanstaande pianist Ricardo Viñes nam hem onder zijn hoede, waarbij hij enkele van Satie’s stukken uitvoerde en zeer gewaardeerde premières verzorgde.

Meer nog dan bij het publiek, kwam Satie in de belangstelling te staan bij een informele, jonge groep kunstenaars die later bekend werden onder de naam Les Six. Aanvankelijk moedigde hij deze groep aan, maar wanneer zij dreigden zijn bekendheid te overschaduwen, distantieerde hij zich van hen. Hij keerde zich ook tegen Ravel en in 1917 zelfs tegen zijn vriend Debussy omdat deze de recentere werken van Satie niet wist te waarderen. De twee zouden elkaar niet meer spreken, en Satie weigerde in maart 1918 zelfs om naar Debussy’s begrafenis te gaan.

Toch wist de componist in deze periode ook nog enkele relaties te onderhouden. Zo resulteerde een samenwerking met de vermaarde abstracte schilder Pablo Picasso, die voor de sets en kostuums zorgde, en de ballet organisator Sergei Diaghilev, voor het ballet Parade dat in 1917 in première ging. De première werd door een deel van het publiek op boe-geroep ontvangen, vooral gericht tegen Picasso’s kubistische ontwerpen. Wanneer één van de critici, Jean Poueigh, zich bijzonder negatief over het stuk uitliet, schreef Satie hem een beledigende  nota en kwam het zelfs tot een rechtzaak waarin de componist tot 8 dagen gevangenis werd veroordeeld!

Tijdens de latere jaren van zijn leven richtte Satie zich meer op de literatuur. Hij werd gevraagd om stukken te schrijven voor verschillende kranten en magazines, zowel in Frankrijk als in Engeland. Hij schreef vaak anoniem of onder een pseudoniem, waardoor niet elke tekst die aan hem wordt toegeschreven, ook met zekerheid van zijn hand was. 

Ondanks zijn succes, zowel als componist en als schrijver, leefde hij nog steeds in armoede. Van zodra hij wat geld had verdiend, gaf hij het uit, of hij gaf het weg. Gelukkig kon hij zijn leven lang rekenen op vrienden, die hem de nodige financiële steun gaven. Hij was een zware drinker, die er daarenboven ook ongezonde eetgewoontes op nahield, met als gevolg dat zijn gezondheid er in 1925 snel op achteruitging. Hij overleed op 1 juli van dat jaar aan een lever cirrose.

Belang en nalatenschap

Niet alleen op het vlak van zijn composities, maar ook op het vlak van zijn levensstijl was Erik Satie wellicht één van de meest excentrieke personen uit de Westerse klassieke muziekgeschiedenis. Na zijn dood trof men op zijn kamertje in Arceuil twee op elkaar gestapelde piano’s aan, tal van partituren die overal verspreid waren, en in de zakken zijn identieke kostuums papiertjes met notaatjes en kladjes van stukjes muziek die wellicht tijdens zijn wandelingen in hem opkwamen. 

Wat Satie echter onderscheidde van zijn tijdgenote, was zijn afwijzing van de traditionele regels en structuren van de muziek. Hij stond bekend om zijn minimalistische composities en zijn gebruik van wat hij “muzikale meubels” noemde – eenvoudige, herhaalde motieven die de luisteraar uitnodigden om te reflecteren en te contempleren.

Door zijn radicale benadering heeft Satie een belangrijke rol gespeeld in het ontstaan van stromingen zoals het impressionisme, neoclassicisme, surrealisme en het minimalisme. Zijn invloed strekte zich uit tot ver buiten de grenzen van de klassieke muziek, met kunstenaars als Debussy, Stravinsky en de vroege avant-gardisten die zijn werk bewonderden en erdoor werden beïnvloed.

Erik Satie’s nalatenschap is die van een vernieuwer die de grenzen van wat mogelijk was in de muziek verlegde en daarmee een blijvende invloed had op de evolutie van de klassieke muziek en ver daarbuiten.

(Bron: Wikipedia | geneanet.org)

Compagnie Trespugliese

Het gezelschap Trespugliese bestaat uit de Argentijnse tangodansers Sebastian Ovejero, oorspronkelijk afkomstig uit het noordwesten van Argentinië, en Marie Quilly, die opgroeide in Bretagne.
Na ongeveer tien jaar in Spanje te hebben gewoond, besloten Sebastian en Marie zich in Frankrijk te vestigen terwijl ze hun tournees voortzetten met verschillende muziekgroepen in Spanje en Frankrijk, maar ook in Portugal, Rusland, Israël en Argentinië.
Ze deelden onder meer het podium met gitarist Lakmal Peiris in Madrid of met Proyecto Tamgú tijdens het Granada International Tango Festival (Spanje). Ze hebben La Porteña Tango Trío meerdere malen begeleid op internationale tournees. Ze werkten samen met de alternatieve tangogroep Galeon Tango en met het Théâtre équestre de Bretagne.
Momenteel worden ze opgemerkt op de Franse podia als dansers van het klassieke muziekduo Fortecello en het tangotrio Fortecello Project.

Ze bieden ook verschillende dansshows aan die zijn aangepast aan alle soorten publiek, ruimtes en logistiek, en bieden regelmatig workshops en cursussen aan voor verschillende tangostructuren en festivals in Frankrijk en elders.

Carmela Delgado

Carmela Delgado werd in 1991 in Parijs geboren en studeerde aan het Conservatorium van Gennevilliers en in Argentinië. Ze treedt op in gerenommeerde concert- en operahuizen, waaronder Straatsburg, Mulhouse en Rennes, en speelt tangomuziek zoals “Maria de Buenos Aires” en “MisaTango”. Ze werkt samen met ensembles als L’Orchestre de Bretagne en L’Orchestre Lutetia.

Internationaal trad ze op in Praag met “Maria de Buenos Aires”. In Argentinië werkte ze met muzikanten als Ramiro Gallo en Rudi Flores. Carmela focust op tango en improviseert en speelt kamermuziek in diverse ensembles zoals Cuarteto Lunares en EOS.

Ze onderzoekt Argentijnse folklore en flamenco, werkt samen met haar vader Manuel Delgado, en tourde in 2018 door China met het Franse chanson-ensemble Canaille de Panam. Carmela doceert bandoneon aan het Conservatorium Edgard-Varèse en geeft masterclasses op festivals als Tango de Tarbes en het International Institute for World Music.

Philippe Argenty

Philippe Argenty gaat in 2000 naar de Muziekacademie en verhuist in 2003 naar Parijs om zich op muziek en piano te concentreren. In 2005 begint hij aan het Conservatori Superior de Música van Liceu in Barcelona, waar hij in 2011 afstudeert met een diploma in “Piano Performance” en de hoogste onderscheiding krijgt voor zijn uitvoering van Liszts 2e Pianoconcert.

In 2005 wint hij de 2e prijs op het Grand Concours International de Piano in Parijs. Sinds 2004 treedt hij op in verschillende landen, zowel solo als in kamermuziek. In 2011 gaat hij op tournee met het Barcelona-orkest “ConjuntXXI” en speelt het Liszt 2e Pianoconcert. Hij treedt op bij diverse festivals en speelt in formaties zoals Duo Fortecello en NonStop Tango Trio.

Sinds 2016 organiseert hij festivals en muziekseizoenen, waaronder “Les Clés du Classique” en “Saint Savin Piano & Master Classes Festival”. In 2017 treedt hij toe tot de raad van het Festival Pablo Casals in Prades en is sinds 2008 artistiek manager van Les Clés du Classique. In 2015 is hij jurylid bij de Festival Art Duo in Praag.

Met Anna Mikulska (Duo Fortecello) bracht hij albums uit: “Cello and Piano World Tour” (2015), “Soul of Nations” (2018), en “Chopin: Ange ou Démon?” (2022). Ze tourden door Europa, China en de VS. Met Duo Fortecello werkt hij aan het “Music for All” programma en coacht hij jonge artiesten.

Anna Mikulska

Anna Mikulska-Argenty begon haar muziekstudie op zesjarige leeftijd. In 2005 startte ze aan de Muziekacademie in Krakau en studeerde later aan de Ecole Normale de Musique in Parijs. Ze kreeg advies van bekende cellisten zoals Anner Bylsma en Arto Noras. In 2010 behaalde ze een Master’s degree en een Cello Aptitude Certificate.

Sinds 2005 speelt ze solo met verschillende orkesten, zoals het Symfonieorkest van de Muziekacademie van Krakau en het Young Philharmonic Orchestra. Ze speelde in het Cracow Royal Quartet en vormde in 2011 het Quator Volubilis. Ze trad ook op met Nigel Kennedy’s “Orchestra of Life” en tourde door Europa.

Sinds haar verhuizing naar Frankrijk werkt ze samen met het Limoges and Limousin Orchestra en het orkest van Soirées Lyriques in Sanxay. Ze specialiseerde zich in kamermuziek met formaties zoals Duo Fortecello en Trio Gatti. Haar albums met pianist Philippe Argenty omvatten “Cello and Piano World Tour” (2015), “Soul of Nations” (2018), en “Chopin: Ange ou Démon?” (2022). Ze gingen op tournee in Europa, China en de VS.

Sinds 2015 is ze co-directeur van festivals in Frankrijk en lid van de bestuursraad van het Pablo Casals Festival. Met Duo Fortecello werkt ze aan het “muziek voor iedereen” programma, dat klassieke muziek naar kleine dorpen, ziekenhuizen en scholen brengt. Daarnaast coacht ze jonge artiesten.

Pierre Vopat

Pierre Vopat werd geboren in Luik en studeerde aan het Koninklijk Conservatorium van Brussel bij Shirly Laub en haar assistenten Frédéric d’Ursel en Kerstin Hoelen. Ook kreeg hij de kans om een ​​jaar te studeren bij de beroemde violist Lorenzo Gatto.
Sinds 2014 is hij lid van de Young Belgian Strings en kreeg hij de gelegenheid om meerdere jaren op rij bij het NJO te spelen. Hij speelde ook met het Wiener Jeugdorkest, het Oostenrijkse Jeugdorkest en het Aurora Symphony Orchestra in Stockholm.
Hij is de winnaar van verschillende wedstrijden in België zoals Belfius Classics, Horlait-Dapsens en Maurice Lefranc. Momenteel bouwt Pierre een muzikale carrière op in België, met name binnen verschillende symfonische orkesten, terwijl hij een zeer intense activiteit in de kamermuziek behoudt.

Jungbin Lim

Jungbin Lim werd geboren in Zuid-Korea. In 2009 studeerde ze met grote onderscheiding af aan de Ewha Women’s University in Seoul, waar ze een leerling was van Young Lim Ham en Sun-gyu Kim.
Ze bracht haar passie voor piano tijdens verschillende concerten met het Korean Catholic Symphony and Chamber Orchestra (2009-2013). Daarnaast begeleidde ze het Accel Youth Orchestra, het Goyang Chamber Orchestra en het Pilgrim Choir.
Sinds september 2016 woont Jungbin Lim in België, waar ze studeerde aan het Koninklijk Conservatorium in Brussel, onder leiding van Boyan Vodenitcharov, waarna ze begeleiding en kamermuziek studeerde.
Momenteel combineert ze haar werk aan het Koninklijk Conservatorium Brussel als begeleider van de celloklas en haar passie voor kamermuziek in het Trio Memento.

Álvaro Quintero

Álvaro Quintero werd geboren in Colombia. Hij begon zijn muziekstudie aan het Tolima Conservatorium in zijn geboortestad en vervolgde zijn muzikale opleiding in Venezuela als deel van het beroemde El Sistema-project, waar hij de kans kreeg om in verschillende orkesten te spelen onder leiding van Gustavo Dudamel.
In 2012 begon hij zijn studies aan het Koninklijk Conservatorium van Brussel in de klas van Didier Poskin. Vervolgens studeerde hij kamermuziek, wat hem ertoe aanzette om concerten te geven in België en Frankrijk.
Momenteel combineert hij muziekonderwijs als onderdeel van een sociaal-muzikaal project in Brussel met concerten met verschillende ensembles in België, waaronder het Trio Memento.

Marco Mantovani

Marco Mantovani werd in Mantova geboren en studeerde af er aan het conservatorium onder leiding van Antonio Pulleghini met de hoogste cijfers en onderscheidingen. Daarna studeerde hij drie jaar bij Andrea Lucchesini aan “Scuola di Musica di Fiesole”  in Firenze, waar hij cum laude afstudeerde. Hij behaalde zijn Master in ‘Piano Performance’ (2017) en zijn ‘Postgraduate’ diploma (2018), beide met de hoogste onderscheiding, aan het Koninklijk Conservatorium Brussel in de klas van Aleksandar Madzar. In 2017 ontving hij van het Conservatorium de prijs ‘Ingeborg Köberle’ als ‘meest veelbelovende student van het jaar’. Fundamenteel voor zijn artistieke ontwikkeling, zijn ook de adviezen geweest die hij kreeg van de beroemde Portugese pianiste Maria João Pires.

Zijn repertoire reikt van Bach tot Hedendaagse muziek. Zijn passie voor kamermuziek drijft hem ertoe om regelmatig met verschillende musici op te treden en hij is stichtend lid van het “Egmont Chamber Music” ensemble.

Marco Mantovani is assistent-professor piano aan het Koninklijk Conservatorium Brussel, pianoprofessor aan het Conservatoire de Pantin in Parijs en doctoraatsonderzoeker aan het Koninklijk Conservatorium Brussel en de Vrije Universiteit Brussel in het ‘Doctoraat in de Kunsten’.

Evan Buttar

Evan Buttar heeft een gevarieerde en internationale carrière als uitvoerend musicus op zowel de barokcello als de viola da gamba. Hij heeft opgetreden met groepen als het Orkest van de Achttiende Eeuw, Le Concert des Nations, Ensemble Zefiro, PRJCT Amsterdam en Wrocław Baroque Orchestra, en speelt regelmatig met verschillende ensembles, waaronder het Luthers Bach Ensemble, Musica Gloria, Das Neue Mannheimer Orchester en het Butter Quartet, een historisch geïnformeerd strijkkwartet waarvan hij een van de oprichters is. Zijn kamer- en orkestervaringen hebben hem op internationale podia gebracht op talloze festivals, waaronder het Utrecht Early Music Festival, het MA Festival Brugge, Mozartfest Würzburg, Festival Berlioz, Chopin and his Europe Festival, het Innsbruck Festival of Early Music, de Beethoven Academy in Wrocław en de String Quartet Biennale Amsterdam.

Evan begon op jonge leeftijd met muziek maken in Vancouver, Canada. Na het behalen van een bachelordiploma moderne cello aan de Universiteit van Ottawa in 2014, inspireerde zijn fascinatie voor historisch geïnformeerde uitvoeringspraktijken hem om naar Nederland te verhuizen, waar hij momenteel woont. Daar behaalde hij in 2016 een masterdiploma barokcello bij Jaap ter Linden aan het Koninklijk Conservatorium Den Haag en datzelfde jaar begon hij daar aan een tweede masterstudie op de viola da gamba bij Mieneke van der Velden en Philippe Pierlot, die hij in 2018 afrondde.

Evan bespeelt een barokcello van Jakob Weiss (ca. 1745) die hij genereus in bruikleen heeft gekregen uit de collectie van het Nederlands Muziekinstrumenten Fonds.

Pieter De Praetere

Pieter De Praetere is een Belgische contratenor. Als solist legt hij zich vooral toe op barokmuziek. Daarnaast is hij een veelgevraagde figuur in het muziektheater.

Pieter is geboren in een muzikale familie. Op zijn 10de gaat hij stemvorming volgen bij Pascal Devreese in Ronse. Op zijn 16de trekt hij naar countertenor Steve Dugardin in Antwerpen. Tijdens zijn studies Literatuurwetenschappen aan de Universiteit Gent volgt hij les bij Hilde Coppé. Kort daarna trekt hij naar het Koninklijk Conservatorium Brussel bij Lena Lootens.

Als solist heeft Pieter een stevig repertoire opgebouwd. Zo vertolkt hij solistenrollen in Messiah van Händel, Stabat Mater van Pergolesi, Gloria van Vivaldi en een aanzienlijk aandeel van cantates, motetten en oratoria van J.S. Bach. Hiermee staat hij op binnen- en buitenlandse podia. Pieter zingt o.a. met de orkesten Musica Gloria, Il Gardellino, B’Rock, BachPlus, Apotheosis … Met Beniamino Paganini en Nele Vertommen van ensemble Musica Gloria werkt hij al enkele jaren intens samen. Samen brachten ze al enkele succesvolle Europese tournees tot stand en ook dit seizoen staan zij samen op binnen – en buitenlandse podia en in de opnamestudio.
In 2024 debuteert Pieter in de opera: in de Reaktorhalle in München zingt hij een hoofdrol in de operacreatie ‘Invitation to a Beheading’ van regisseur Maria Chagina en componist Leon Zmelty. Met het festival Midsummer Mozartiade en Orchestre Royal de Wallonie zingt hij de rol van Farnace in Mozarts ‘Mitridate, Re di Ponte’ in Brussel, Mons en Namur.

Naast zijn werk als klassiek zanger is Pieter een veelgevraagd figuur in het Vlaamse theaterlandschap. Met Muziektheater Broder toert hij al jaren door België met poëtische familievoorstellingen met en over klassieke muziek (Franzerl, Babushka, Seaking…)

Beniamino Paganini

Beniamino Paganini (°1994) heeft al van jongs af aan een passie voor oude muziek. Op 16-jarige leeftijd startte hij aan beide Koninklijke Conservatoria van Brussel, later aan de conservatoria van Leuven en Den Haag. Hij ontving zijn masterdiploma’s voor Traverso (2016), Klavecimbel (2017), Maestro al Cembalo (2019) en een bachelordiploma Musicologie (2018), allen met grote onderscheiding. Hij studeerde traverso bij Barthold Kuijken, Frank Theuns en Jan De Winne, renaissance fluit bij Kate Clark en Patrick Beuckels, klavecimbel bij Frédérick Haas, Fabio Bonizzoni, Kris Verhelst en Maestro al Cembalo bij Patrick Ayrton en musicologie aan de KU Leuven waar hij eveneens het diploma Educatieve master Cultuurwetenschappen behaalde.

Daarnaast treedt hij ook op met claviorganum, orgel en blokfluit. Door de Belgische Muziekpers werd hij uitgeroepen tot Jonge Musicus van het jaar 2020 en Klara selecteerde hem in 2021 als één van de Twintigers. Hij behaalde meerdere eerste prijzen en ontving de ‘Sonderpreis der Jury’ op de Internationale Telemann Wedstrijd (2021).

Beniamino is oprichter en, samen met Nele Vertommen, algemene en artistieke leider van het barokensemble Musica Gloria. Met dit ensemble speelt hij een dertigtal concerten per jaar voor organisaties als AMUZ (BE), Bachfest Leipzig (DE), BOZAR (BE), Concertgebouw Brugge (BE), De Bijloke (BE), Klara (BE), Les Festivals de Wallonie (BE), MA Festival (BE), Musica Antica (NL) en Trigonale Festival (AT). Ook realiseerde hij met Musica Gloria reeds talrijke video-opnames en cd’s

Verder werkt hij samen met vele andere ensembles zoals Il Gardellino, Scherzi Musicali, B’Rock en La Petite Bande in concerten en opnames. 

Nele Vertommen

Nele Vertommen (°1999) werd reeds als 5-jarige geboeid door oude muziek. Hier werd haar al duidelijk dat ze deze muziek ook zelf wilde kunnen spelen.

Enkele jaren later startte ze met hobolessen bij Korneel Alsteens. Wanneer ze na 2 jaar spelen ontdekte dat de prachtige hobo-solo’s uit de Mattheüs-Passie eigenlijk voor de barokhobo geschreven werden, ontstond het idee om barokhoboïste te worden.

Op haar 14de begon ze met zelfstudie voor barokhobo, waarna ze zich op 15-jarige leeftijd studente kon noemen aan het Koninklijk Conservatorium Brussel, in de klas van Marcel Ponseele. Na een tussenjaar in Den Haag, ontving ze daar haar bachelordiploma met grote onderscheiding. Terug in België voltooide ze haar masterdiploma, eveneens met grote onderscheiding. Kort na haar afstuderen werd ze geselecteerd door Klara om deel uit te maken van hun reeks “De Twintigers”. Omdat ze ook een grote liefde heeft voor vroeger repertoire, werkt ze sinds enkele jaren ijverig aan haar vaardigheden op vroegere dubbelrietinstrumenten.

Samen met haar partner Beniamino Paganini leidt ze Musica Gloria. Dit ensemble treedt op voor organisaties zoals BOZAR (BE), Trigonale (AT), Bachfest Leipzig (DE), AMUZ (BE), Festivals de Wallonie (BE), SHFestival (CZ), Concertgebouw Brugge (BE), TAM Regensburg (DE) en 30CC (BE) en heeft al verschillende cd’s opgenomen. 

Behalve met Musica Gloria, speelt Nele regelmatig met ensembles als Il Gardellino (BE), A Nocte Temporis (BE), La Chapelle Harmonique (FR), Collegium Marianum (CZ), Gli Angeli Genève (CH), Le Poème Harmonique (FR), Utopia Orchestra (DE) en Concerto Köln (DE).