fbpx

Claude Debussy (1862-1918)

Claude Debussy wordt beschouwd als één van de belangrijkste Franse componisten van de late 19de en vroege 20ste eeuw en, hoewel hij het er zelf niet mee eens was, als één van de grondleggers van het impressionisme als klassieke muziekstijl.

Debussy werd op 22 augustus 1862 geboren in Saint-Germain-en-Laye, een voorstad ten westen van Parijs. Hij was het eerste van vijf kinderen van Manuel-Achille Debussy, die een porseleinwinkeltje had, en Victorine Manoury, een naaister. Wanneer Manuel-Achille in 1864 zijn winkel moest sluiten, verhuisde het gezin naar Parijs, waar hij in een drukkerij aan de slag ging. 

Een onwaarschijnlijke componist

Opgegroeid in een arbeidersgezin met beperkte toegang tot het culturele leven van Parijs, leek het onwaarschijnlijk dat de jonge Claude een muzikale opleiding zou krijgen. Tijdens het beleg van Parijs door de Pruissische troepen in 1870 vluchtte zijn moeder, Victorine, met haar zoon en dochter naar Cannes, waar familie woonde. Hier kreeg Debussy zijn eerste pianolessen van een tante die snel overtuigd raakte van zijn muzikale talent en zijn muzieklessen bij de Italiaanse muzikant Jean Cerutti financieerde.

Een jaar later keerde Victorine met haar kinderen terug naar Parijs. Manuel-Achille, die aan een opstand had deelgenomen, belandde een jaar in de gevangenis. Daar ontmoette hij echter de muzikant Charles de Sivry, wiens moeder, Antoinette Mauté de Fleurville, pianolerares was. Bij haar kon de jonge Claude zijn muzieklessen voortzetten.

Claude Debussy aan het Conservatorium van Parijs

Debussy’s talenten kwamen al vroeg aan het licht, en op tienjarige leeftijd, in 1872, werd hij toegelaten tot het Conservatorium van Parijs, waar hij de daaropvolgende elf jaar studeerde. In eerste instantie meldde hij zich aan bij de pianoklas van Antoine François Marmontel en volgde lessen in notenleer bij Albert Lavignac. Later verdiepte hij zich in compositie onder Ernest Guiraud, harmonie bij Émile Durand, en orgel bij César Franck

Hoewel sommige van zijn leraren aanvankelijk onder de indruk waren van zijn muzikale aanleg, stoorden anderen zich snel aan Debussy’s onzorgvuldigheid en aan zijn nonchalante gedrag. Hij stond er om bekend lessen af en toe over te slagen, en het is zelfs niet zeker of hij de vakken muziekgeschiedenis en theoretische studies ooit wel gevolgd heeft. Soms legde hij zich sterk toe op zijn studies, andere keren dan weer niet, en tegen 1879 mocht hij zijn pianolessen zelfs niet meer verder zetten.

Marmontel, zag nog steeds het potentieel van zijn leerling, en zorgde ervoor dat Claude tijdens de zomer van 1879 aan de slag kon als pianist in het Château de Chenonceau.

Claude Debussy in 1908
Portret van Claude Debussy in 1908

Het is uit deze periode dat zijn allereerste composities dateren, namelijk twee arrangementen van gedichten van Alfred de Musset: Ballade à la lune en Madrid, prinses des Espagnes. Het volgende jaar verwierf hij een positie als pianist in het huishouden van Nadezjda von Meck, de beschermvrouw van Tsjaikovski. Deze laatste was echter niet meteen enthousiast over het stuk dat Debussy componeerde en aan von Meck opdroeg, en vond het weliswaar een “leuk ding” maar het was “te kort” en er werd “niets uitgewerkt”.

Tussen 1880 en 1882 reisde hij met haar gezin tijdens de zomers en verbleef op verschillende locaties in Frankrijk, Zwitserland en Italië, evenals in haar huis in Moskou. Gedurende deze periode componeerde hij zijn Pianotrio in G majeur voor het ensemble van von Meck en maakte hij een pianoduet transcriptie van drie dansen uit Tsjaikovski’s Zwanenmeer.

De moeilijke weg naar een eigen stijl

Tijdens zijn conservatoriumstudie in eind 1880 werd Claude Debussy aangesteld als begeleider van zangles voor Marie Moreau-Sainti, een rol die hij vier jaar lang vervulde. Onder zijn klasgenoten bevond zich Marie Vasnier. Ondanks haar huwelijk met de oudere ambtenaar Henri Vasnier, ontstond er een zevenjarige relatie tussen Debussy en Marie Vasnier, een relatie waarin de jonge componist heel wat inspiratie vond. Hij droeg maar liefst 27 van zijn werken aan haar op.

Aan het Conservatorium stuitte Debussy op afkeuring, vooral zijn compositieleraar Guiraud, die vond dat hij te veel afweek van de heersende compositieregels.

Desondanks won hij in 1884 de prestigieuze Prix de Rome met zijn cantate L’enfant prodigue. Deze prijs omvatte een residentie in de Villa Medici, de Franse Academie in Rome, waar Debussy verbleef van januari 1885 tot maart 1887 om zijn studies verder zetten. Het waren niet zijn gelukkigste jaren. Debussy voelde zich depressief en klaagde over de slechte accommodatie, het ongemanierde gedrag van de mensen die hij tegenkwam en het eten dat hem niet beviel en hij vond Rome een stad ‘vol marmer, verveling en vlooien’. 

Daarenboven worstelde hij met een atmosfeer die hij te verstikkend vond. De enige lichtpunten die hij vond waren zijn ontdekking van de muziek van Palestrina en Lassus en een ontmoeting met Franz Liszt, die hij inspirerend vond. Steeds meer werd het Debussy duidelijk dat hij, ondanks het keurslijf waar men hem in wilde dwingen, te zeer gesteld was op zijn vrijheid en zijn eigen ideeën en dat hij zijn eigen weg moest gaan.

Uiteindelijk bood Debussy vier composities aan bij de Academie: de symfonische ode Zuleima, het orkeststuk Printemps, de cantate La Damoiselle élue, waarin zijn latere stilistische kenmerken voor het eerst opduiken, en de Fantaisie voor piano en orkest, sterk beïnvloed door Franck en later door Debussy zelf ingetrokken. Het leverde hem kritiek op van de Académie, die de werken als “bizar, onbegrijpelijk en onuitvoerbaar” afdeed. Tijdens zijn tijd in Rome componeerde Debussy, los van de Academie, het grootste deel van zijn Verlaine-cyclus, Ariettes oubliées, die aanvankelijk weinig impact had maar later, wanneer hij uiteindelijk bekend was, in 1903 met succes werd heruitgegeven.

Bij zijn terugkeer in 1887 in Parijs maakte Debussy kennis met de muziek van Wagner, die hem wel beviel maar waarvan hij, in tegenstelling tot heel wat van zijn collega’s, tegelijkertijd vond dat ze geen toekomst had. Dat weerhield hem er echter niet van om de paar volgende jaren  de opera festivals van Wagner in Bayreuth bij te wonen.

Tijdens de Wereldtentoonstelling van 1889 in Parijs maakte Debussy kennis met muziek die uit andere werelddelen afkomstig was. Onder meer de Javaanse gamelaanmuziek, die de nadruk legt op percussie instrumenten, sprak hem daarbij zodanig aan dat hij de ritmes, de melodieën en de textuur gebruikte in de Pagodes van zijn piano suite Estampes.

Moeizame erkenning en doorbraak

In 1890 vond hij Erik Satie een verwante ziel. Beide mannen balanceerden vaak op de rand van de armoede, frequenteerden dezelfde café’s en vooral, beiden wilden de heersende muzikale conventies en tradities achter zich laten. Allebei zouden ze de klassieke muziek in Frankrijk herdefiniëren.

Debussy zette zijn compositiewerk voort met liederen, pianostukken en andere creaties. Hoewel enkele van deze werken publiekelijk werden uitgevoerd, had zijn muziek slechts een bescheiden impact. Desondanks erkenden zijn collega-componisten zijn potentieel en kozen ze hem in 1893 voor het bestuur van de Société Nationale de Musique.

In mei 1893 woonde Debussy een theatervoorstelling bij die voor hem van groot belang zou worden: de première van het toneelstuk Pelléas et Mélisande van de Belgische toneelschrijver Maurice Maeterlinck. In november van dat jaar trok hij naar Gent om van de auteur het akkoord te krijgen om het toneelstuk tot een opera te bewerken.

Enkele maanden later, in januari 1894, was de eerste akte van de opera klaar. De rest van het jaar en in 1895 werkte hij verder aan een eerste versie van de rest van zijn opera, en vanaf 1896 ging hij op zoek naar een plaats waar dit werk uitgevoerd kon worden. De première zou echter nog tot 30 april 1902 op zich laten wachten!

Ondertussen was het Debussy ook wat beter voor de wind beginnen gaan. Met zijn symfonisch gedicht Prélude à l’après-midi d’un faune in 1894, behaalde hij wat succes. Tegelijkertijd gaf hij muzieklessen en schreef hij -vaak zeer snedige- kritieken voor La Revue Blanche over collega componisten, de opera van Parijs, dirigenten en zelfs het publiek dat naar de concerten ging. 

Rond 1900 diende Debussy’s muziek als centrale focus en inspiratiebron voor een informele groep vernieuwende jonge kunstenaars, dichters, critici en musici die in Parijs bijeenkwamen. Ze noemden zichzelf als Les Apaches, als een weerspiegeling van hun status als ‘artistieke buitenbeentjes’. De groep bestond op verschillende momenten uit figuren zoals Maurice Ravel, Igor Stravinsky en Manuel de Falla. In hetzelfde jaar vonden de eerste uitvoeringen plaats van twee van Debussy’s drie orkestrale Nocturnes. Hoewel ook deze niet meteen indruk maakten op het publiek, werden ze wel goed ontvangen door andere componisten, zoals Paul Dukas.

De rebel wordt een geëerd artiest

Ook het privé-leven van Claude Debussy ging niet zonder problemen. Nadat Marie Vasnier omstreeks 1890 een einde maakte aan hun affaire, begon de componist een relatie met Gaby Dupont, met wie hij ging samenwonen. Hij veroorzaakte een schandaal, waarbij hij vervreemde van enkele van zijn  vrienden en medestanders, wanneer hij, terwijl hij nog met Dupont samenwoonde, zich verloofde met de zangeres Thérèse Roger. Hij verliet Dupont uiteindelijk voor haar vriendin, Lilly Texier met wie hij in 1899 trouwde. Het huwelijk duurde amper 5 jaar en in 1904 begon hij een nieuwe relatie met Emma Moyse, de echtgenote van een vooraanstaand bankier. Na haar echtscheiding zouden Debussy en Moyse in 1908 uiteindelijk met elkaar trouwen, en hoewel ook deze relatie vaak problemen had, bleef het koppel samen tot Debussy’s overlijden. 

Het lijkt wel alsof het fin de siècle en het nakende begin van de 20ste eeuw een keerpunt waren in het leven van Debussy, zowel privé als professioneel. In 1903 werd hij Chevallier in het Légion d’Honneur, en zijn werken -ook de oudere die vroeger weinig belangstellingen kregen- werden meer en meer uitgevoerd tijdens concerten, zowel in Frankrijk als daarbuiten. Toch bleef hij ook op weerstand stuiten, onder meer van Camille Saint-Saëns, één van de componisten die Debussy eerder in La Revue Blanche onderuit had gehaald. 

In het begin van de jaren 1910 werd bij Debussy darmkanker vastgesteld. In 1915 was hij één van de eerste patiënten die de toen nog experimentele colostomie ondergingen. De operatie betekende wat uitstel in zijn ziekte, maar zijn gezondheid bleef stilaan verder achteruit gaan. Hij overleed uiteindelijk aan kanker in zijn woning in Parijs, op 25 maart 1918. Hij werd tijdelijk begraven op de Père Lachaise begraafplaats, maar zijn lichaam werd na het einde van de Eerste Wereldoorlog overgebracht naar het kleinere Cimetière Passy, nabij Trocadéro, waar Debussy, conform zijn wensen, “te rust werd gelegd tussen de bomen en de vogels”.

Het muzikale nalatenschap van Claude Debussy

Debussy stuitte het grootste deel van zijn loopbaan op onbegrip en zelfs tegenwerking. Gedreven door zijn vrijheidsdrang, zette hij echter door en wist hij, vanaf zijn dertigste maar vooral na zijn succes met de opera Pelléas et Mélisande uiteindelijk door te breken. Wellicht was zijn doorbraak niet alleen aan deze opera, of aan een intussen beroemd stuk zoals Clair de Lune te danken, maar ook aan het feit dat hij in zijn streven naar het doorbreken van de muzikale tradities en conventies, sinds de laatste jaren van de 19de eeuw niet meer alleen stond. Meer nog, hij werd een bron van inspiratie voor andere componisten, zowel (jongere) tijdgenoten, als de generaties na hem.

Waar conservatoria en muziekleraren voor het einde van de 19de eeuw vooral aanzetten tot het behoud van de bestaande stijlen, is het aan componisten zoals Debussy en Satie te danken dat vanaf de 20ste eeuw meer aandacht wordt besteed aan originaliteit en het verder laten evolueren van het avontuur ‘muziek’.

(Bronnen: Wikipedia | Claude Debussy, Klassieke Muziekcollectie nr. 11, DeAgostini Uitgevers 1995 | Geneanet.org)