Bedřich Smetana

Bedřich Smetana (1824-1884)

Bedřich Smetana
Concerten met muziek van Bedřich Smetana
No event found!

Bedřich Smetana werd op 2 maart 1824 geboren, het derde kind van František Smetana met diens derde vrouw, Barbora Lynková. František was een brouwer die zich verrijkt had tijdens de Napoleontische oorlogen en daardoor zijn brouwerijen kon uitbreiden. In 1823 vestigde hij zich in Litomyšl, waar hij de hofbrouwer werd van graaf Waldstein.

František was ook een amateur-violist die in een lokaal ensemble speelde en wanneer hij het muzikaal talent van zijn zoon Bedřich opmerkte, startte hij prompt met diens muzieklessen. Al op zijn zesde was Bedřich klaar voor het publiek en speelde hij een enthousiast ontvangen arrangement voor piano van de ouverture van Auber’s opera “De Stomme van Portici”. De Smetana’s verhuisden kort daarna naar Jindřichův Hradec, in het zuiden van de Bohemen, waar Bedřich naar school werd gestuurd. Toch zette hij zijn muziekstudies niet stop en bekwaamde hij zich in viool en piano. Hij maakte ook kennis met het werk van Mozart en Beethoven wat hem aanzette om zelf ook muziek te componeren.

In 1839 ging Smetana, met goedkeuring van zijn vader, naar school in Praag maar uiteindelijk bracht hij bijna meer tijd door op concerten dan in klaslokalen. Het was na één van deze concerten, met de dan zeer geliefde Liszt op piano, dat hij “een Mozart in de compositie en een Liszt in het pianospel” wilde worden.

Bedřich Smetana
De Tsjechische componist Bedřich Smetana

De aantrekkingskracht van de muziek

Hoewel hij zijn zoon zelf in de muziek had geïntroduceerd, vond František dat Bedřich beter niet in deze richting verder zou gaan. Hij stuurde zijn zoon van de ene school naar de andere, telkens wanneer bleek dat de jonge Smetana niet van zijn voornemen om componist en pianist te worden, kon weggehouden worden. Terwijl hij nog op school school zat in Plzeň was Bedřich erg in trek als concertpianist en kort nadat hij in 1843 aan deze school afgestudeerd was, trok de jonge Smetana, zonder enig concreet vooruitzicht, terug naar Praag om zich daar als muzikant verder waar te maken.

Na een introductie door de moeder van Kateřina Kolářová, een jeugdvriendin van de componist met wie hij later zou trouwen, werd Smetana 

Begin 1844 nam Josef Proksch, het hoofd van het Praags Muziek Instituut, nam Josef Proksch van het Praags Muziek Instituut, Smetana aan als student compositieleer. Enige jaren later zorgde Proschk op zijn beurt voor een introductie bij Berlioz en Liszt. Ook rond deze tijd begon Smetana zelf met lesgeven, meer bepaald aan het hof van graaf Thun, waar hij Robert en Clara Schumann zou ontmoeten.

Een groeiend Tsjechisch bewustzijn

Reeds tijdens zijn schooljaren was Smetana, door zijn vriendschap met de poëet en revolutionair Karel Havlíček, in aanraking gekomen met de roep voor de oprichting van natie-staten, die tijdens de 19de eeuw doorheen grote delen van Europa klonk. Bohemen en Moravië waren op dat ogenblik immers een onderdeel van het Habsburgse keizerrijk dat weinig belangstelling had voor de culturele eigenheid van de streek. 

In 1848 escaleerde de roep voor een einde aan de Habsburgse dictatuur in een opstand in Praag, waarbij ook Smetana mee op de barricades stond. De Oostenrijkse troepen drukten de opstand echter snel de kop in en arresteerden enkele leidende figuren, waar onder Smetana’s jeugdvriend Havlíček. Smetana zelf kon aan de arrestatieronde ontsnappen maar zette zich daarna nog meer in om het groeiende Tsjechische bewustzijn te steunen.

Tijdens zijn betrokkenheid met de opstand, was Smetana ook in contact gekomen met de schrijver Karel Sabina, die hem later de libretto’s voor zijn eerste twee opera’s zou bezorgen. 

Succes, tegenslag, geluk en verdriet

Kateřina Kolářová
Kateřina Kolářová, de jeugdvriendin op wie Smetana smoorverliefd werd en met wie hij in 1849 zou trouwen.

Eerder in 1848 had Smetana contact opgenomen met Liszt en hem gevraagd zijn nieuwe compositie voor piano “Zes karakteristieke stukken” bij een uitgever te promoten. Hij vroeg de Liszt ook om 400 gulden om zijn eigen muziek school te beginnen. Het geld stuurde Liszt niet, maar hij hielp Smetana wel om zijn werk gepubliceerd te krijgen, en dat was de start van een levenslange vriendschap tussen beide mannen. 

Ondanks zijn moeilijke financiële situatie, slaagde Smetana er in de loop van 1848 toch in om zijn muziek school op te richten.  Het jaar erna trouwde hij, na een lange romance, met zijn jeugdvriendin Kateřina Kolářová en verhuisde hij zijn muziekschool naar haar ouderlijk huis.

Tussen 1851 en 1855 kreeg het koppel 4 dochters, waarvan 3 op zeer jonge leeftijd overleden. De oudste dochter, Bedřiška toonde op haar vierde al een sterke aanleg voor muziek en haar overlijden lijkt Smetana sterk aangegrepen te hebben. Naar aanleiding van haar dood componeerde hij zijn Piano Trio in g mineur, een werk dat door Liszt brilliant werd genoemd, maar door het publiek niet werd gewaardeerd. In 1856, kort na de dood van hun vierde dochter, werd, net als bij hun tweede dochter die er enkele jaren eerder aan gestorven was, ook bij Kateřina tuberculose vastgesteld.

Ook op het vlak van zijn loopbaan ging het Smetana in deze periode niet altijd voor de wind. Waar hij met zijn muziek school succes oogstte, was dat beduidend minder het geval als concertpianist. Critici vergeleken zijn pianospel weliswaar met dat van Chopin, maar vonder anderzijds dat hij te zwak was om degelijk piano te spelen. 

Dit, samen met het hardere politieke klimaat en de toename van de Habsburgse dictatuur, deed Smetana in 1856 beslissen om zijn geluk in het Zweedse Gothenburg te beproeven. Wellicht nog onzeker over zijn toekomst daar, reisde hij in eerste instantie zonder zijn vrouw en dochter naar Zweden. Wanneer duidelijk was dat niet alleen de muziekschool die hij er oprichtte een groot succes was maar ook dat het Zweedse publiek, in tegenstelling tot het Praagse, hem ook als pianist zeer wist te waarderen, ging Smetana in de zomer van 1857 terug naar Praag om Kateřina, ondanks haar verzwakte gezondheid, en hun dochter mee naar Zweden te verhuizen. Door het koude Zweedse klimaat ging de gezondheid van Kateřina er echter steeds verder op achteruit, waardoor Smetana in 1859 besliste om naar Praag terug te keren. Kateřina zou haar stad niet meer terug zien en overleed op 19 april in Dresden.

De stap naar de opera

Smetana hertrouwde in 1860 met de 16 jaar jongere Barbora (Bettina) Ferdinandiová, een schoonzus van zijn jongere broer Karel. Het pasgetrouwde koppel ging voor een laatste keer terug naar Gothenburg, waarna Smetana zich opnieuw in Praag vestigde. Daar vond hij het politieke tij gekeerd in het voordeel van de Tsjechische zaak.

Tijdens één van zijn tussenstops tussen Gothenburg en Praag, in Weimar, waar hij Liszt bezocht, kreeg Smetana de smaak te pakken voor de (komische) opera. De bouw van een nieuw theater in Praag dat dienst kon doen als operagebouw, was voor hem dan ook de ideale gelegenheid om zich als opera-componist te ontplooien. Hiervoor maakte hij graag gebruik van libretti die in het Tsjechisch geschreven waren en bevestigde hij voor eens en voor altijd zijn status als Tsjechisch componist.

Toch haalde Smetana zich ook wat vijandschap op de hals, met name van  de directeur van de Praagse Zang School František Pivoda omdat Smetana beroep gedaan had op zangers uit het buitenland in plaats van zangers uit de school van Pivoda. De openlijke vijandschap tussen de twee mannen verdeelde de Praagse muzikale wereld in twee kampen, en resulteerde in de eis dat Smetana ontslagen zou worden. Dankzij de steun van ondermeer Antonin Dvořák werd Smetana terug aangeworven. 

Barbora Ferdinandiová
Barbora (Bettina) Ferdinandiová, Smetana's tweede vrouw, met wie hij in 1860 trouwde.

De dove componist

Het laatste decennium van Smetana’s leven wordt gekenmerkt door een opeenvolging van tegenslagen en enkele successen.  Ondanks de tussenkomst van Dvořák bleven heel wat mensen Smetana vijandig gezind en waar sommigen hem eerden als dirigent, vergruisden anderen zijn stijl.

Ook zijn relatie met zijn tweede echtgenote, Bettina, was tegen die tijd erg verbitterd geraakt, voornamelijk omwille van financiële redenen. Daarbij werd zelfs een echtscheiding overwogen, maar uiteindelijk bleef het koppel toch samen.

In de zomer van 1874 werd de componist zwaar ziek, volgens sommigen een gevolg van de onophoudelijke aanvallen op zijn persoon. Alle symptomen wijzen erop dat Smetana aan syfilis leed. Het gevolg hiervan was dat hij in oktober van datzelfde jaar volledig doof geworden was. Hij nam ontslag als dirigent, maar bleef wel componeren. Zijn beroemdste werk, het symfonisch gedicht “Mà Vlast” (“Mijn Vaderland”) componeerde hij terwijl hij volledig doof was. Hij bleef ook concerten bijwonen en kon zich op basis van de aanwijzigingen van de dirigenten en de bewegingen van de muzikant een beeld vormen van de muziek die gespeeld werd.

In 1879 begon de syfilis ook de mentale gezondheid van de componist aan te tasten. Hij begon tekenen van dementie te vertonen, werd steeds vergeetachtiger en dit alles maakte het steeds moeilijker voor Smetana om te componeren. Toch zette hij door zo lang hij kon, tot hij, geplaagd door hallucinaties en bang dat hij anderen wat zou aan kunnen doen, zich in een instelling liet opnemen, waar hij enkele maanden later, op 12 mei 1884 overleed.

Nalatenschap

In totaal schreef Smetana 9 opera’s, allemaal in het Tsjechisch, 18 orkestrale werken, 5 werken voor kamermuziek en 1 voor orgel, 90 stukken voor piano, en tal van chorale en vocale werken. Daarbij liet hij zich sterk inspireren door Tsjechische liederen en dansen, een voorbeeld dat ook door zijn vriend Dvořák gevolgd werd. Zijn zeer actieve inzet voor de zaak van het Tsjechische nationalisme en zijn droevig einde in een mentale instelling, hebben sterk bijgedragen aan zijn faam en populariteit, volgens sommige critici zelfs meer dan verdiend. Hoewel hij, ook de dag van vandaag nog, qua populariteit moet onder doen voor Dvořák, kan zijn rol in de vorming van een eigen Tsjechische muziek -en als uitbreiding daarvan een eigen cultuur- niet miskend worden.

(Bronnen: Smetana, De Klassieke Muziek Collectie nr. 27, De Agostini 1995 | Wikipedia)